Posts tonen met het label Wat is dat?. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wat is dat?. Alle posts tonen

zondag 6 oktober 2013

Wat is… ADHD?

Ik had ooit een paar blogs onder de categorie “Wat is…?” Ik ga daar weer mee verder, te beginnen met deze. Wat is ADHD?

Zoals velen al weten staat ADHD voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder, een stoornis waarbij je lijdt aan aandachtstekort en hyperactiviteit. Het aandachtstekort staat niet per se voor te weinig aandacht, maar wel voor het slecht kunnen concentreren op de omgeving. Vooral in een klassensituatie is dit lastig en dit kunnen veel collega’s van mij beamen.
Hyperactiviteit staat zowel voor de innerlijke als de uiterlijke onrust. Iemand met ADHD kan niet lang stil zitten, maar ook in het hoofd is het niet lang stil. Alles gaat maar door.

Ik heb wel eens het idee dat ADHD in de mode is, dat het een rage aan het worden is. Toen ik op de middelbare school zat, heb ik in zes jaar tijd één klasgenoot met ADHD gehad. Nu ik zelf voor de klas sta, heb ik in al mijn klassen twee tot vier leerlingen met ADHD. Hoe kan dat? Ik vond het antwoord op de website van ADHD.
“Onderzoek toont aan dat de diagnose van wat nu ADHD wordt genoemd, minstens teruggaat tot 100 jaar geleden. Voor die tijd bestond ADHD ook wel maar dit werd nog niet als een probleem gezien. Toen werden veel kinderen gezien als: lastig, druk, moeilijk handelbaar, agressief, zich niet kunnen concentreren.”

Nu heb ik ook gelezen in een artikel dat ADHD een verzonnen ‘ziekte’ is. De psychiater die ADHD ‘in het leven heeft geroepen’, heeft nu op zijn sterfbed gezegd dat ADHD niet bestaat. Het was een manier om jongeren aan de medicijnen te krijgen, wat geld opleverde voor de medische industrie.

Ik weet niet goed wat ik er van moet denken. Misschien moet ik mijn mening hier ook niet over delen, omdat ik er geen verstand van heb. Dat doe ik dan ook maar niet.

Ik wilde hier een informatieve blog over maken, maar dat is niet helemaal gelukt. Volgende keer beter.

Liefs!

maandag 22 april 2013

Daltononderwijs, wat is dat?

Een lange tijd geleden, het was één van mijn eerste blogs, schreef ik een stukje over mijn ervaringen met het daltononderwijs. Ik heb ongeveer een half jaar lang stage gelopen op een Daltonschool en ik wilde graag met ervaringen met het wereld wijde web delen. Als ik bij de statistieken van mijn blog kijk, zie ik dat ‘(nadelen) daltononderwijs’ de meestgebruikte zoekterm is om op mijn blog te komen. Blijkbaar is er dus veel interesse in dit onderwerp.

Omdat ik in mijn vorige blog nauwelijks iets heb geschreven heb over wat daltononderwijs inhoudt, wil ik dat vandaag gaan doen. Op internet heb ik feitjes opgezocht en tussendoor zal ik ook mijn ervaringen delen.

Het was eigenlijk helemaal niet de bedoeling dat ik stage zou lopen op deze school. Het was gewoon een samenloop van omstandigheden waardoor ik ineens een stagiair was geworden. Daar is op zich niets mis mee, zeker niet aangezien ik mijn hele opleiding al eens een kijkje wil nemen in deze keuken. Wat wel erg jammer was, is dat ik op dat moment net in een periode zat dat ik geen roze bril droeg. Dat is dan ook één van de redenen dat ik niet helemaal positief tegen het daltononderwijs aan keek.

Maar… Wat is daltononderwijs dan? Het is een onderwijssoort waarbij de nadruk ligt op de zelfstandigheid van de leerlingen. Daarnaast is er veel keuzevrijheid voor de leerlingen. Ik weet niet of alle Daltonscholen dezelfde principes er op nahouden, maar op mijn school werkte het op de volgende manier.
Iedere leerling krijgt van zijn/haar mentor een daltonkaart. Dit is een kaart waarop de leerling handtekeningen verzameld van docenten. Wanneer krijg je een handtekening? Als je de ‘daltontaak’ (een bepaald aantal opgaven die de leerlingen die week af moeten hebben) af hebt en laat zien aan je vakdocent.
In het lesrooster is lesuur 3 en lesuur 5 vrijgehouden voor “het daltonuur”. Dit is een uur waarop leerlingen zelf mogen kiezen aan welk vak ze gaan werken. Dit kan een vak zijn waarvoor ze achterlopen, een vak waar ze moeite mee hebben of een vak wat ze juist leuk vinden. Ze zoeken in het rooster het lokaal op waar hun docent zit en in dat lokaal schuiven ze aan. In dat uur gaan ze werken aan dat vak. Tussendoor gaat er één keer een bel. Na een half uur mogen de leerlingen kiezen: ze blijven bij dat vak werken of ze verplaatsen zich naar een ander lokaal om aan een ander vak te werken.
De overige lesuren krijgen de leerlingen onderwijs in een vast klaslokaal met een vaste docent en hun eigen klas. Er wordt een stuk theorie uitgelegd en de leerlingen maken de opgaven waar ze op dat moment gebleven zijn.
De leerlingen krijgen minder klokuren les dan op een reguliere middelbare school (voor wiskunde scheelt het in de brugklas 80 minuten!), maar krijgen tijdens het daltonuur dus extra tijd om aan de opgaven te werken.

De vrijheid die de leerlingen krijgen is in beperkte mate. Het toetsmoment is namelijk voor alle leerlingen hetzelfde. Alle leerlingen uit de klas krijgen dus op hetzelfde tijdstip een toets over dezelfde stof. Dat is voor mij heel logisch, want ze gaat het op mijn huidige werkplek en al mijn vorige stages net zo. Maar het is wel tegenstrijdig met wat Helen Parkhurst, de grondlegger van het daltononderwijs, voor ogen had. Op wikipedia is namelijk te lezen dat vrijheid volgens mevrouw Parkhurst gaat over het zelf kiezen van het tijdstip en het tempo waarin aan een bepaald onderwerp gewerkt wordt. Als je dit in de praktijk bekijkt, gaat dit heel anders. De leerlingen krijgen binnen de daltonuren de vrijheid om te kiezen aan welk vak ze willen werken, maar daarbuiten is er nauwelijks ‘vrijheid’. Het tempo wordt namelijk bepaald door de docent middels een studiewijzer. Elke week wordt er van je verlangd dat je een bepaald onderwerp hebt afgesloten. Als je dat niet gedaan hebt, zit je vrijdagmiddag op school. Dat is nauwelijks vrijheid te noemen.

Ik wilde er puur een informatief stuk van maken, maar ik kon het niet laten om ook even mijn eigen mening er tussen te gooien. Oeps.

Liefs!

maandag 15 april 2013

NIO-toets, wat is dat?

Oké, nog één om het af te leren: de NIO-toets. Na een blog over de WISC-test en de Cito-toets kan deze niet ontbreken.

De NIO-toets is vergelijkbaar met de Cito-toets. Ook de NIO-toets (Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau) wordt aan het eind van het basisonderwijs afgenomen bij de leerlingen. Het verschil tussen deze twee toetsen is echter dat er bij de Cito-toets wordt gekeken naar de ‘feitelijke’ schoolprestaties, terwijl bij de NIO-toets wordt gekeken naar de ‘mogelijke’ schoolprestaties. Bij de NIO-toets wordt namelijk gekeken naar wat de leerlingen in huis hebben, niet alleen naar de kennis waarover ze beschikken.

De onderdelen
De NIO-toets bestaat uit zes onderdelen, gebaseerd op taal, rekenen en ruimtelijk inzicht. De onderdelen over taal en rekenen (bij elkaar 5 onderdelen) tellen zo’n twintig tot dertig meerkeuzevragen. Bij het onderwerp ruimtelijk inzicht krijgt de leerling acht meerkeuzevragen.

De uitslag
Net als bij de IQ-test heeft de NIO-toets een gemiddelde score van 100. Bij een score van 100 t/m 107 krijgt de leerling het vmbo-TL of vmbo-TL/havo-advies. Bij score 108 t/m 115 krijgt een leerling havo of havo/vwo-advies. Bij een score boven de 116 krijgt de leerling een VWO-advies. Boven de 118 punten zou zelfs kunnen leiden naar gymnasium, technasium of tweetalig onderwijs. (Dit laatste is vergelijkbaar met een Cito-score van 545 of hoger.)

Voor wie is de NIO-toets?
Er zijn basisscholen die ervoor kiezen om de NIO-toets te doen in plaats van de Cito-toetsen. Bij die leerlingen uit groep 8 wordt dus deze toets afgenomen. Maar de NIO-toets wordt ook afgenomen bij leerlingen die al op het voortgezet onderwijs zitten. Het gebeurt namelijk wel eens dat een leerling op een onjuist niveau zit. Eén van mijn leerlingen zit namelijk as we speak de NIO-toets te maken, omdat er allerlei redenen zijn om te twijfelen aan zijn niveau. Deze leerling zit in de brugklas, maar ook leerlingen uit klas 2 en klas 3 kunnen de NIO-toets maken.

Kritiek
Zoals op alles kritiek is, is er ook op de NIO-toets kritiek. De toets is te talig, er zitten te veel context-opgaven in, de toets is niet geschikt voor kinderen met een leer- of gedragsstoornis etc. Er is ook altijd wat te klagen…

Liefs!
 

maandag 8 april 2013

Cito-toets, wat is dat?

In het verlengde van de blog van vorige week schrijf ik vandaag een blog over de Cito-toets. De Cito-toets is een welbekende toets. Ik dacht altijd dat deze toets bij alle basisscholen werd afgenomen, maar toch schijnen er scholen te zijn die liever een andere toets afnemen. De Cito-toets wordt aan het eind van de basisschool, dus bij de leerlingen uit groep 8, afgenomen. Deze toets is om het niveau te bepalen voor het vervolgonderwijs.

De onderdelen
De Cito-toets bestaat uit verschillende onderdelen. Uiteraard zitten er opgaven in over taal en rekenen, maar ook over studievaardigheden en wereldoriëntatie. Het onderdeel wereldoriëntatie is hierbij niet verplicht. De verdeling van de opgaven is als volgt:

Taal: 100 opgaven
Rekenen (en wiskunde): 60 opgaven
Studievaardigheden: 40 opgaven
Wereldoriëntatie: 90 opgaven

De puntentelling
Ik had altijd gedacht dat het aantal goede antwoorden automatisch zou leiden naar het behaalde punten. Bij een score van 541, de score die ik haalde voor deze toets, zouden dan 541 goede antwoorden horen (en dus 9 foute antwoorden). Maar dat zit dus niet zo. Nogal logisch als er slechts 200 vragen zijn die worden meegeteld. Van de website van Cito haalde ik het juiste antwoord op de vraag hoe de score wordt berekend. “De standaardscore wordt berekend op basis van het aantal goede antwoorden op de Eindtoets. Het onderdeel Wereldoriëntatie telt hierbij niet mee. Deze standaardscore wordt omgezet op een schaal van 501 en 550 met behulp van een formule die jaarlijks wordt aangepast op basis van de moeilijkheidsgraad van de toets.” De reden dat het aantal punten in de vijfhonderd zit is vrij logisch: Cito wil niet dat de score wordt gezien als schoolcijfer. Een score van 536 of 547 is niet zo makkelijk om te rekenen naar een schoolcijfer als een cijfer van 94 of 67.

Het advies
Voordat je onderstaande tabel leest is het belangrijk om te weten dat het advies (van de basisschool) altijd kan afwijken van wat er in deze tabel staat. De Cito-toets is slechts een momentopname. De docent van groep 8 heeft vaak een beter beeld van de leerling en kan dus een advies geven (zowel hoger als lager) dan in onderstaande tabel staan.

501 - 520 - basisberoepsgerichte leerweg
519 - 524 - basis- en kaderberoepsgerichte leerweg
523 - 528 - kaderberoepsgerichte leerweg
528 - 532 - kaderberoepsgerichte leerweg en gemengde/theoretische leerweg
529 - 533 - gemengde/theoretische leerweg
533 - 536 - gemengde/theoretische leerweg en havo
535 - 541 - gemengde/theoretische leerweg en havo/vwo
537 - 540 - havo
540 - 544 - havo/vwo brugklas
545 - 550 - vwo

Wie mag de Cit0-toets maken?
In principe mag iedereen uit groep 8 maken. Er zijn een paar uitzonderingen. Leerlingen die, als ze in groep 8 zitten, minder dan vier jaar in Nederland wonen, hoeven deze toets niet te maken. Zij beheersen de Nederlandse taal onvoldoende om de vragen te kunnen lezen. Ook de leerlingen die na de basisschool naar het speciaal onderwijs of naar praktijkonderwijs gaan hoeven de toets niet te maken.

Liefs!

maandag 1 april 2013

WISC-test, wat is dat?

Ik zou er bijna een nieuwe reeks van kunnen maken: de Wat-is-dat-eigenlijk?-serie waarin ik blogs schrijf over dingen waar ik wel eens van heb gehoord, maar waar ik de betekenis niet van ken. Want ook tijdens de afgelopen vergadering hoorde ik weer allerlei termen voorbij komen waarvan ik eigenlijk niet wist wat dat betekende.

Vandaag een blog over de WISC-test. Ja, ik had er wel eens van gehoord. Maar wat dat precies is? Al sla je me dood. Daarom heb ik het opgezocht.

WISC staat voor Wechsler Intelligence Scale for Children. Het is een intelligentietest voor kinderen tussen de 6 en 16 jaar oud. De test bestaat uit uiteenlopende tests. Deze zijn onderverdeeld in twee delen: de verbale tests en performale tests. Onder de verbale tests vallen onder andere woordkennis en rekenen. Onder performale tests vallen onder andere plaatjes ordenen en figuren leggen. In totaal zijn er dertien tests (respectievelijk 6 tests en 7 tests).

De WISC-test kan om verschillende redenen worden afgenomen. Enkele redenen kunnen zijn om (uiteraard) het IQ te meten, om de CITO te herkansen of om eventuele leerproblemen te registreren.

De uitslag van een WISC-test is een IQ-score. Hierbij is 100 de gemiddelde score. De standaardafwijking is hier 15.

Nu snap ik dus wat ze bedoelen als er wordt gezegd dat een leerling een WISC-uitslag van 108 heeft…

Liefs!

maandag 18 maart 2013

Clusters, wat zijn dat?

Vorige week schreef ik het volgende:

Zo af en toe, tijdens een vergadering bijvoorbeeld, vallen er begrippen die ik niet of nauwelijks eerder heb gehoord en waarvan ik de betekenis niet ken.

Mijn blog ging toen over de Rots en Water-training, maar er zijn natuurlijk nog veel meer begrippen waar ik wel eens van heb gehoord, maar waar ik eigenlijk de betekenis niet van weet. Zoals “clusters” bijvoorbeeld. Ik weet dat er vier clusters zijn, dat heb ik dan nog wel onthouden van mijn opleiding. Maar wat zíjn clusters?

Voor leerlingen met een handicap, wat voor handicap dan ook, is er het speciaal onderwijs. Dit onderwijs is ingedeeld in vier verschillende groepen, de “clusters” genoemd. Door de leerlingen in “een hokje te plaatsen” worden de leerlingen professioneler geholpen. De groepen zijn daar een stuk kleiner, waardoor de leerling meer aandacht krijgt, en de docenten zijn daar deskundigen op het gebied van de desbetreffende cluster(s).

Cluster 1 is voor de leerlingen met een visuele handicap, dus de leerlingen die blind of slechtziend zijn.
Cluster 2 is voor de leerlingen met een auditieve handicap, oftewel de leerlingen die doof of slechthorend zijn. Ook leerlingen met ernstige spraakmoeilijkheden vallen onder cluster 2.
Cluster 3 is voor de leerlingen met een verstandelijke en/of lichamelijke handicap. Ook vallen hier de leerlingen onder die langdurig ziek zijn.
Cluster 4 is een grote groep. Hieronder vallen de leerlingen die een ernstige gedragsstoornis hebben, de leerlingen met psychische problemen, de leerlingen die langdurig ziek zijn maar geen lichamelijke handicap hebben en voor de leerlingen die verbonden zijn aan pedologische instituten. Deze instituten doen onderzoek naar leerproblemen, gedragsproblemen en emotionele problemen. Onder cluster 4 vallen ook de leerlingen die verbonden zijn aan justitie en/of jeugdzorg. Zoals ik al zei: het is een erg grote groep.

Het is voor leerlingen die “in een cluster zitten” niet verplicht om naar het speciaal onderwijs te gaan. Vandaar ook dat ik wel eens hoor dat een leerling een cluster 3-leerling of cluster 4-leerling is. Deze leerlingen krijgen een “rugzakje”. Dit is een leerlinggebonden financiering. Dit geld kan gebruikt worden voor speciaal lesmateriaal, extra hulp bij het leren of andere extra begeleiding.

Ik moet eerlijk toegeven dat het hele verhaal over de clusters me wel bekend voorkwam. Tijdens het derde jaar van mijn studie heb ik hier één college over gehad. Ik vind het jammer dat we er niet dieper op ingegaan zijn, want het is dus (blijkbaar) niet goed genoeg bij me blijven hangen. En terwijl dit toch best een belangrijk onderwerp is, ook op reguliere (middelbare) scholen.

Liefs!

Bron