maandag 28 oktober 2013

Mentor in het voortgezet onderwijs, hoofdstuk 4 (dl I)

Hoofdstuk 4 – Organisatie van het mentoraat op school

Na drie hoofdstukken met wat achtergrondinformatie over de doelgroep begint met dit hoofdstuk eindelijk de interessante informatie. Het vierde hoofdstuk heeft alles te maken met de regelingen rondom het mentoraat. Het hoofdstuk is niet heel lang, maar is wel in veertien paragrafen opgedeeld. Daarom heb ik besloten hier twee blogs over te schrijven. Vandaag het eerste deel, over twee weken het tweede deel.

Eén van de eerste paragrafen heeft als titel ‘Wie wordt mentor?’. De alinea begint met de volgende zin.
‘Omdat elke docent over zowel (vak)didactische als pedagogische kwaliteiten hoort te beschikken, zou elke docent mentor moeten kunnen zijn.’
Ik heb er lang tegenop gezien om naast gewone lessen ook mentor te zijn. Het is niet dat ik het niet wil, maar ik ben bang dat ik er niet goed genoeg voor ben. Dat zal mijn onzekerheid wel zijn.
Toch heeft dit boek wel gelijk met deze zin. Als je docent bent, moet je toch enige vorm van affiniteit met de leerlingen hebben (in de goede zin natuurlijk!). Opvoeden hoort al bij het docentschap, dus in principe is het mentoraat maar een klein stapje verder.

De twee paragrafen daarna gaan erover wie je mentorleerlingen worden en hoeveel mentorleerlingen iedere mentor krijgt. Bij ons is het heel simpel: per klas is er slechts één mentor. Ik denk dat dit op de meeste scholen zo is. De onderbouwgroepen bestaan bij ons uit 25 tot 30 leerlingen, de bovenbouwgroepen 20 tot 25 leerlingen. Hierbij krijgen de mentoren een mentorklas aan wie ze ook de vaklessen geven. Zo zijn er meer contactmomenten per week dan alleen het mentoruur.
In de bovenbouw wordt dit wat lastiger. De klas valt vaak uiteen door de verschillende vakken die de leerlingen hebben, dus het is niet altijd zo dat de mentor van de klas aan de gehele klas ook vaklessen geeft. Vooral in mijn vak is dat lastig. Wiskunde wordt in de bovenbouw grofweg in tweeën gesplitst; wiskunde A en wiskunde B. Als een wiskundedocent dus mentor in de bovenbouw wordt, geeft hij slechts aan de helft van de klas ook vaklessen.

Er staat nog een andere interessante alinea in het eerste deel van het hoofdstuk, genaamd ‘Leerlingmentoraat’. Het is niet op alle scholen geregeld – op mijn huidige school helaas niet – maar ik vind het leerlingmentoraat een enorme toegevoegde waarde hebben. Vooral leerlingen uit de brugklas zullen hier veel baat bij hebben. Deze brugpiepers hebben zojuist een enorme stap gemaakt van groep 8 naar klas 1. Ik kan me heel goed voorstellen dat deze leerlingen vaak met obstakels zitten. De mentoren hebben het in deze eerste weken van het jaar al heel druk met de individuele gesprekken, de telefoontjes naar huis en alle activiteiten die er voor de brugklassers georganiseerd worden in deze eerste weken. Het zou een uitkomst zijn als de brugklassers met hun vragen dan terecht kunnen bij leerlingmentoren; leerlingen uit de bovenbouw die graag de mentoren van de onderbouw een handje willen helpen.

De volgende paragrafen gaan onder andere over scholing voor mentoren en ouderavonden. Voor het eerst dat ik dit boek bestudeer heb ik zin om verder te lezen!

Liefs!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen