Posts tonen met het label Onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onderwijs. Alle posts tonen

maandag 17 juni 2013

Boek: Mentor in het voortgezet onderwijs

Onlangs kreeg ik het boek binnen waar ik al eerder over schreef: Mentor in het voortgezet onderwijs, geschreven door Margriet Groothuis en Hildelien Verkuyl. De reden waarom ik dit boek kocht is vanwege het feit dat ik toen net het gehoord dat ik zeer waarschijnlijk mentor zou worden. Uiteindelijk was dat niet het geval, maar toen had ik eenmaal mijn bestelling al geplaatst bij bol.com. Geen probleem, want ooit zal ik dit boek toch wel nodig hebben. En voorbereiden op het mentor zijn, daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen.

De komende weken (en maanden) ga ik dit boek doorlezen en doorwerken en over elk hoofdstuk of onderwerp dat me interessant lijkt, zal ik iets gaan schrijven. Ik weet nu nog niet of ik het boek van voor naar achter door ga werken of dat ik zomaar ergens begin, maar dat zal later nog blijken.

Wat ik vandaag wel even wil laten zien, is de inhoudsopgave. Het boek is opgedeeld in elf hoofdstukken en elk hoofdstuk is opgedeeld in vier tot veertien paragrafen (en sommigen daarvan weer in deelparagrafen). Ik zal het onderwerp van elk hoofdstuk benoemen en een korte toelichting van de paragrafen erbij geven. Binnenkort dus een uitgebreider verslag van elk hoofdstuk!

Het boek begint met een voorwoord (hoofdstuk 0).
 
Hoofdstuk 1: Inleiding
Hoofdstuk 2: Leerlingen in beeld
In dit hoofdstuk gaat het over pubers en de ontwikkelingsfase waarin ze zich bevinden.
Hoofdstuk 3: De school als pedagogische omgeving
Het hoofdstuk wordt geopend met een citaat: je leert niet voor de school, maar voor het leven. Dit hoofdstuk gaat er dus over dat de school niet alleen een leerklimaat is, maar ook waar de leerlingen worden opgevoed.
Hoofdstuk 4: Organisatie van het mentoraat op school
Dit spreekt voor zich. Het hoofdstuk gaat dus om de feitjes: wie wordt mentor, hoeveel uur krijg je (op jaarbasis) om mentor te zijn, hoeveel mentorleerlingen krijgt een mentor enzovoorts.
Hoofdstuk 5: Begeleidingsgesprekken
Een uitgebreid hoofdstuk met daarin allerlei soorten gesprekken beschreven.
Hoofdstuk 6: Leerlingen begeleiden bij het leren
Dit hoofdstuk gaat onder andere over plannen, één van de dingen die me wel leuk lijken aan het mentoraat. Dit wordt ongetwijfeld ook een heel leuk hoofdstuk voor mij!
Hoofdstuk 7: Leerlingen begeleiden bij de psychosociale ontwikkeling
Een hoofdstuk met daarin alle ‘problemen’ die er bij de leerlingen kunnen spelen, zoals faalangst en een vervelende thuissituatie.
Hoofdstuk 8: Leerlingen begeleiden bij keuzes op school
Een hoofdstuk over profielkeuzes, studiekeuzes en andere keuzes die een leerling moet maken tijdens zijn of haar schoolcarrière. Ik hoop dat ik start met het mentor zijn van een brugklas, dus dan heb ik met dit hoofdstuk niet heel veel te maken.
Hoofdstuk 9: De leef- en werksfeer begeleiden in de klas
Een hoofdstuk gericht op de klas in plaats van op één leerling. In dit hoofdstuk wordt en onder andere ingezoomd op omgaan met conflicten.
Hoofdstuk 10: Ouders
Ook dat hoort bij de taak van de mentor. Vele oudergesprekken. Dit hoofdstuk gaat over kennismakingsgesprekken, huisbezoeken, tienminutengesprekken en andere contactvormen met ouders.
Hoofdstuk 11: Als mentor sta je niet alleen
Er zijn namelijk nog vele anderen die een oogje in het zeil houden. Op mijn werk is dat de afdelingsleider (die doet dat vaak nog meer dan de mentor…), maar ook het zorg advies team (ZAT) kan hier een rol in spelen.

Het boek sluit af met enkele bijlagen over onder andere een mentorgesprek, een langetermijnplanning en diverse vragenlijsten.

Ik ben heel benieuwd naar de verdere inhoud van het boek en ik kan niet wachten om alles tot me te nemen. Misschien ga ik dit wel vaker doen: een boek kopen m.b.t. het onderwijs en deze van voren naar achteren bespreken. Ook handig voor de studenten onder ons. ;-)

Liefs!

maandag 10 juni 2013

Docenten op Facebook

Dit jaar kreeg ik welgeteld één vriendschapsverzoek van een leerling op Facebook. En deze heb ik genegeerd. Ik ben daar vanaf het begin van mijn opleiding heel duidelijk in geweest: ik wil niet dat mijn leerlingen in mijn privéleven terecht komen. Ik vond het altijd al vervelend als ik mijn leerlingen in mijn vrije tijd in de stad tegen kwam, maar vrienden worden op Facebook vind ik nog een stapje verder. Ik wil niet dat ze al mijn foto’s kunnen bekijken!

Aan het begin van het schooljaar ging één van de vergaderingen over social media. Wat moet je doen als een leerling contact met je opneemt via Twitter, Facebook of één van de andere vormen. Het antwoord was dat de keus bij de docent ligt, als je er maar niet te ver in gaat. Geen berichtjes sturen tijdens lessen, geen afspraakjes maken met leerlingen (alsof ik dat zou doen!) en nog meer duidelijke regels. Toen kwam er één collega met het volgende geniale plan.

Op haar vorige school had ze een Facebookpagina opgericht speciaal voor haar leerlingen. Het was dus geen pagina waar ze haar foto’s op zette, maar een pagina met opmerkingen over het huiswerk, wat leerlingen niet moeten vergeten mee te nemen of te leren enzovoorts. Als de leerlingen dat wilden mochten ze haar daarop toevoegen en zo zouden ze op een moderne manier bijblijven van alles rondom het huiswerk voor dat vak.

Ik vond het meteen een briljant plan, maar daar heb ik nooit meer iets mee gedaan. Pas in de laatste weken zit dit weer in mijn hoofd. En ik weet dus ook wat ik in de zomervakantie ga doen! Ik wil een Facebookpagina openen met de naam ‘Mevrouw Snelten’ (maar dan natuurlijk mijn eigen naam) en daar ga ik voor mijn klassen voor volgend jaar het huiswerk opzetten. Ook stuur ik berichtjes over de proefwerken, want ze mee moeten nemen naar de les, een tip voor bij het huiswerk enzovoorts. En wie weet wordt het een soort helpdesk, als de leerlingen vragen gaan stellen over het huiswerk.

Ik ben benieuwd hoe het plan uit gaat pakken. Of er leerlingen zullen zijn die er interesse in hebben en of het ook echt gaat werken. Maar dat zie ik allemaal van zelf zodra het nieuwe schooljaar is begonnen!

Liefs!

dinsdag 4 juni 2013

Nog even niet...

Wat ben ik toch een enorme geluksvogel. Gisterochtend, tien minuten voordat ik op mijn werk was, bedacht ik me ineens dat ik in mijn postvakje zou vinden of ik volgend jaar mentor zou worden. Ik begon enorm te duimen en dat bleek geholpen te hebben. Er stond op mijn takenlijstje dat ik geen mentor zou worden. Lucky me!

Met een collega sprak ik er over in de pauze. Hij verbaasde zich erover dat ik geen mentor zou worden, want hij was juist degene die een goed woordje voor me had gedaan bij mijn werkgever. "Ik denk dat Elseline wel een leuke mentor zou zijn," had hij tegen hem gezegd. Ik schrok even toen ik dat hoorde. Waarom had hij dat gezegd, zonder het eerst even met mij te overleggen?

Toen ik het even had laten bezinken vond ik het toch wel leuk om te horen. Hij ziet in mij een leuke mentor en dat is toch wel positief. Maar aan de andere kant is 'leuk zijn' natuurlijk maar één van de vele eigenschappen die een mentor zou moeten bezitten. Er is daarnaast nog zo veel meer! En voor nu vind ik niet dat ik een goede mentor zou zijn. Ik ben daar nog veel te onvoorbereid voor, ik zou niet weten hoe dat allemaal werkt en het idee alleen al geeft me de kriebels. Laat mij nog maar even een jaartje oriënteren.

Als ik vanmiddag thuiskom uit mijn werk, ligt (als het goed is) mijn bestelde boek op de deurmat. Ik ben ontzettend benieuwd naar de inhoud ervan. Ik heb nog een heel jaar om me voor te bereiden (misschien zelfs nog langer), dus ik ga elke letter van het boek tot me nemen. De zomervakantie lijkt me daar ook een uitstekende periode voor. Ongetwijfeld dat daar posts over op mijn blog komen! 

Liefs!

maandag 3 juni 2013

Help, ik word (misschien) mentor!

Als deze blog online komt, weet ik al of het echt zo is. Voor nu (zondagochtend, het moment waarop ik dit schrijf) blijft het even duimen. Duimen dat ik het niet word. Ik heb het hier over mentor worden.

Afgelopen vrijdag vroeg iemand aan mij of ik mentor zou worden.
“Mentor? Nee! Dat denk ik niet. Dan zou ik het toch allang gehoord hebben?”
Mijn collega lachte. “Dat zou je denken. Bij onze school is het zo dat het ineens in je takenpakket valt.”
Pfff! Wat een ramp. Dan loop ik morgen (vandaag) dus de school binnen, open ik mijn postvakje, kijk op mijn takenplaatje voor komend jaar en dan zie ik daar ineens staan dat ik mentor word. Of niet. Wat een rare regeling.

Ik hoop heel erg dat ze mij nog een jaartje willen sparen. Volgens mijn collega word iedereen mentor als je daar al meer dan een jaar in dienst bent. Hopelijk wil mijn werkgever me dat nog even ontzien. Mentor worden lijkt me namelijk niets voor mij. Ik vind dat meer iets voor mijn collega’s die al vader of moeder zijn van een puber en die al ervaring hebben met al die problemen die zich afspelen in de hoofden van pubers. Dat is niets voor mij. Ik ben zelf nog maar een kind.

En stiekem lijkt het me ook heel eng om al die oudergesprekken te voeren. Want reken maar dat het aantal op een tafeltjesavond wordt verdubbeld. Iedere ouder moet je ook aan het begin van het jaar even opbellen om te vertellen hoe het met hun zoon/dochter gaat. Je moet constant in contact blijven als het even wat minder gaat met een leerling. En je krijgt natuurlijk een hoop verwijtende blikken van de ouders als er iets niet goed gaat op school. Want het ligt altijd aan jou, echt waar.

Voor het geval dat ik toch ineens mentor word, heb ik op bol.com alvast een boek gekocht ter voorbereiding. Mentor voor het voortgezet onderwijs. Mocht ik nou morgen (vandaag dus) toch zien dat ik mentor word, dan kan ik me in de zomervakantie alvast voorbereiden. Want ik heb dus echt geen idee wat me naast de gesprekken met ouders, leerlingen en collega’s allemaal te wachten staat.

Liefs!

maandag 29 april 2013

Het meest saaie van lesgeven

Helaas heeft het onderwijs ook zijn saaie kanten. Vergaderen wordt bijvoorbeeld vaak als saai gezien. Ik zie vaak genoeg tijdens een algemene vergadering collega’s met hun mobieltjes of iPads spelen. Ook het nakijken vinden velen met mij ontzettend saai. Daarbij is het ook nog eens ontzettend tijdrovend. Ik ben gerust een uur bezig met het nakijken van één brugklasrepetitie. En dan heb ik er nog twee te gaan!

Maar wat ik echt het meest saaie vind… De rekenles! Op vrijdag geef ik één lesuur rekenen aan mijn 3havo-klas. En serieus, daar zie ik de hele week tegenop. Ik zal een korte beschrijving geven van hoe zo’n les er uit ziet: de leerlingen druppelen binnen, ze pakken hun spullen (nadat ik het vijf keer heb gevraagd), ze kijken de huiswerkopgaven na met de antwoorden die ik op het bord heb gezet en als ze daarmee klaar zijn, maken ze sommetjes voor het huiswerk voor de volgende les. Kortom: ik val er echt bij in slaap.

Ik weet ook niet hoe ik de lessen leuker moet maken. De leerlingen moeten uit de rekenboeken werken die door de school besteld zijn en elke week moet er één hoofdstuk gemaakt worden. Veel ruimte om daarvan af te wijken is er niet, want de proefwerken voor het hele derde leerjaar zijn hetzelfde en worden ook in dezelfde week afgenomen.
Veel uitleg hoef ik tijdens de lessen ook niet te geven. Onder elkaar optellen en vermenigvuldigen lukt de meeste leerlingen wel, rekenen met breuken krijgen ze vaak genoeg in de wiskundeles en de verhoudingstabellen en het rijtje van kilometer naar millimeter kunnen ze inmiddels dromen. Als ik dat klassikaal moet uitleggen, zit 80% van de klas zich toch te vervelen. De enkele leerling die er wel moeite mee heeft, krijgt één op één uitleg van mij. En dat komt niet heel vaak voor.

Ik weet dat mijn collega’s bezig zijn met het regelen van andere rekenboeken. Rekenboeken waarvan de inhoud meer aansluit bij het rekenexamen wat de leerlingen binnenkort op hun eindexamen kunnen verwachten. Contextrijkere sommen, waarachter een hele oplossingsmethode schuil gaat. Ik hoop dat die boeken er al snel komen, want dat maakt het voor mij ook iets leuker om les te geven. Wat serieus, hoe kun je een som als 83 × 472 leuk uitleggen?

Liefs!

maandag 22 april 2013

Daltononderwijs, wat is dat?

Een lange tijd geleden, het was één van mijn eerste blogs, schreef ik een stukje over mijn ervaringen met het daltononderwijs. Ik heb ongeveer een half jaar lang stage gelopen op een Daltonschool en ik wilde graag met ervaringen met het wereld wijde web delen. Als ik bij de statistieken van mijn blog kijk, zie ik dat ‘(nadelen) daltononderwijs’ de meestgebruikte zoekterm is om op mijn blog te komen. Blijkbaar is er dus veel interesse in dit onderwerp.

Omdat ik in mijn vorige blog nauwelijks iets heb geschreven heb over wat daltononderwijs inhoudt, wil ik dat vandaag gaan doen. Op internet heb ik feitjes opgezocht en tussendoor zal ik ook mijn ervaringen delen.

Het was eigenlijk helemaal niet de bedoeling dat ik stage zou lopen op deze school. Het was gewoon een samenloop van omstandigheden waardoor ik ineens een stagiair was geworden. Daar is op zich niets mis mee, zeker niet aangezien ik mijn hele opleiding al eens een kijkje wil nemen in deze keuken. Wat wel erg jammer was, is dat ik op dat moment net in een periode zat dat ik geen roze bril droeg. Dat is dan ook één van de redenen dat ik niet helemaal positief tegen het daltononderwijs aan keek.

Maar… Wat is daltononderwijs dan? Het is een onderwijssoort waarbij de nadruk ligt op de zelfstandigheid van de leerlingen. Daarnaast is er veel keuzevrijheid voor de leerlingen. Ik weet niet of alle Daltonscholen dezelfde principes er op nahouden, maar op mijn school werkte het op de volgende manier.
Iedere leerling krijgt van zijn/haar mentor een daltonkaart. Dit is een kaart waarop de leerling handtekeningen verzameld van docenten. Wanneer krijg je een handtekening? Als je de ‘daltontaak’ (een bepaald aantal opgaven die de leerlingen die week af moeten hebben) af hebt en laat zien aan je vakdocent.
In het lesrooster is lesuur 3 en lesuur 5 vrijgehouden voor “het daltonuur”. Dit is een uur waarop leerlingen zelf mogen kiezen aan welk vak ze gaan werken. Dit kan een vak zijn waarvoor ze achterlopen, een vak waar ze moeite mee hebben of een vak wat ze juist leuk vinden. Ze zoeken in het rooster het lokaal op waar hun docent zit en in dat lokaal schuiven ze aan. In dat uur gaan ze werken aan dat vak. Tussendoor gaat er één keer een bel. Na een half uur mogen de leerlingen kiezen: ze blijven bij dat vak werken of ze verplaatsen zich naar een ander lokaal om aan een ander vak te werken.
De overige lesuren krijgen de leerlingen onderwijs in een vast klaslokaal met een vaste docent en hun eigen klas. Er wordt een stuk theorie uitgelegd en de leerlingen maken de opgaven waar ze op dat moment gebleven zijn.
De leerlingen krijgen minder klokuren les dan op een reguliere middelbare school (voor wiskunde scheelt het in de brugklas 80 minuten!), maar krijgen tijdens het daltonuur dus extra tijd om aan de opgaven te werken.

De vrijheid die de leerlingen krijgen is in beperkte mate. Het toetsmoment is namelijk voor alle leerlingen hetzelfde. Alle leerlingen uit de klas krijgen dus op hetzelfde tijdstip een toets over dezelfde stof. Dat is voor mij heel logisch, want ze gaat het op mijn huidige werkplek en al mijn vorige stages net zo. Maar het is wel tegenstrijdig met wat Helen Parkhurst, de grondlegger van het daltononderwijs, voor ogen had. Op wikipedia is namelijk te lezen dat vrijheid volgens mevrouw Parkhurst gaat over het zelf kiezen van het tijdstip en het tempo waarin aan een bepaald onderwerp gewerkt wordt. Als je dit in de praktijk bekijkt, gaat dit heel anders. De leerlingen krijgen binnen de daltonuren de vrijheid om te kiezen aan welk vak ze willen werken, maar daarbuiten is er nauwelijks ‘vrijheid’. Het tempo wordt namelijk bepaald door de docent middels een studiewijzer. Elke week wordt er van je verlangd dat je een bepaald onderwerp hebt afgesloten. Als je dat niet gedaan hebt, zit je vrijdagmiddag op school. Dat is nauwelijks vrijheid te noemen.

Ik wilde er puur een informatief stuk van maken, maar ik kon het niet laten om ook even mijn eigen mening er tussen te gooien. Oeps.

Liefs!

maandag 15 april 2013

NIO-toets, wat is dat?

Oké, nog één om het af te leren: de NIO-toets. Na een blog over de WISC-test en de Cito-toets kan deze niet ontbreken.

De NIO-toets is vergelijkbaar met de Cito-toets. Ook de NIO-toets (Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau) wordt aan het eind van het basisonderwijs afgenomen bij de leerlingen. Het verschil tussen deze twee toetsen is echter dat er bij de Cito-toets wordt gekeken naar de ‘feitelijke’ schoolprestaties, terwijl bij de NIO-toets wordt gekeken naar de ‘mogelijke’ schoolprestaties. Bij de NIO-toets wordt namelijk gekeken naar wat de leerlingen in huis hebben, niet alleen naar de kennis waarover ze beschikken.

De onderdelen
De NIO-toets bestaat uit zes onderdelen, gebaseerd op taal, rekenen en ruimtelijk inzicht. De onderdelen over taal en rekenen (bij elkaar 5 onderdelen) tellen zo’n twintig tot dertig meerkeuzevragen. Bij het onderwerp ruimtelijk inzicht krijgt de leerling acht meerkeuzevragen.

De uitslag
Net als bij de IQ-test heeft de NIO-toets een gemiddelde score van 100. Bij een score van 100 t/m 107 krijgt de leerling het vmbo-TL of vmbo-TL/havo-advies. Bij score 108 t/m 115 krijgt een leerling havo of havo/vwo-advies. Bij een score boven de 116 krijgt de leerling een VWO-advies. Boven de 118 punten zou zelfs kunnen leiden naar gymnasium, technasium of tweetalig onderwijs. (Dit laatste is vergelijkbaar met een Cito-score van 545 of hoger.)

Voor wie is de NIO-toets?
Er zijn basisscholen die ervoor kiezen om de NIO-toets te doen in plaats van de Cito-toetsen. Bij die leerlingen uit groep 8 wordt dus deze toets afgenomen. Maar de NIO-toets wordt ook afgenomen bij leerlingen die al op het voortgezet onderwijs zitten. Het gebeurt namelijk wel eens dat een leerling op een onjuist niveau zit. Eén van mijn leerlingen zit namelijk as we speak de NIO-toets te maken, omdat er allerlei redenen zijn om te twijfelen aan zijn niveau. Deze leerling zit in de brugklas, maar ook leerlingen uit klas 2 en klas 3 kunnen de NIO-toets maken.

Kritiek
Zoals op alles kritiek is, is er ook op de NIO-toets kritiek. De toets is te talig, er zitten te veel context-opgaven in, de toets is niet geschikt voor kinderen met een leer- of gedragsstoornis etc. Er is ook altijd wat te klagen…

Liefs!
 

maandag 8 april 2013

Cito-toets, wat is dat?

In het verlengde van de blog van vorige week schrijf ik vandaag een blog over de Cito-toets. De Cito-toets is een welbekende toets. Ik dacht altijd dat deze toets bij alle basisscholen werd afgenomen, maar toch schijnen er scholen te zijn die liever een andere toets afnemen. De Cito-toets wordt aan het eind van de basisschool, dus bij de leerlingen uit groep 8, afgenomen. Deze toets is om het niveau te bepalen voor het vervolgonderwijs.

De onderdelen
De Cito-toets bestaat uit verschillende onderdelen. Uiteraard zitten er opgaven in over taal en rekenen, maar ook over studievaardigheden en wereldoriëntatie. Het onderdeel wereldoriëntatie is hierbij niet verplicht. De verdeling van de opgaven is als volgt:

Taal: 100 opgaven
Rekenen (en wiskunde): 60 opgaven
Studievaardigheden: 40 opgaven
Wereldoriëntatie: 90 opgaven

De puntentelling
Ik had altijd gedacht dat het aantal goede antwoorden automatisch zou leiden naar het behaalde punten. Bij een score van 541, de score die ik haalde voor deze toets, zouden dan 541 goede antwoorden horen (en dus 9 foute antwoorden). Maar dat zit dus niet zo. Nogal logisch als er slechts 200 vragen zijn die worden meegeteld. Van de website van Cito haalde ik het juiste antwoord op de vraag hoe de score wordt berekend. “De standaardscore wordt berekend op basis van het aantal goede antwoorden op de Eindtoets. Het onderdeel Wereldoriëntatie telt hierbij niet mee. Deze standaardscore wordt omgezet op een schaal van 501 en 550 met behulp van een formule die jaarlijks wordt aangepast op basis van de moeilijkheidsgraad van de toets.” De reden dat het aantal punten in de vijfhonderd zit is vrij logisch: Cito wil niet dat de score wordt gezien als schoolcijfer. Een score van 536 of 547 is niet zo makkelijk om te rekenen naar een schoolcijfer als een cijfer van 94 of 67.

Het advies
Voordat je onderstaande tabel leest is het belangrijk om te weten dat het advies (van de basisschool) altijd kan afwijken van wat er in deze tabel staat. De Cito-toets is slechts een momentopname. De docent van groep 8 heeft vaak een beter beeld van de leerling en kan dus een advies geven (zowel hoger als lager) dan in onderstaande tabel staan.

501 - 520 - basisberoepsgerichte leerweg
519 - 524 - basis- en kaderberoepsgerichte leerweg
523 - 528 - kaderberoepsgerichte leerweg
528 - 532 - kaderberoepsgerichte leerweg en gemengde/theoretische leerweg
529 - 533 - gemengde/theoretische leerweg
533 - 536 - gemengde/theoretische leerweg en havo
535 - 541 - gemengde/theoretische leerweg en havo/vwo
537 - 540 - havo
540 - 544 - havo/vwo brugklas
545 - 550 - vwo

Wie mag de Cit0-toets maken?
In principe mag iedereen uit groep 8 maken. Er zijn een paar uitzonderingen. Leerlingen die, als ze in groep 8 zitten, minder dan vier jaar in Nederland wonen, hoeven deze toets niet te maken. Zij beheersen de Nederlandse taal onvoldoende om de vragen te kunnen lezen. Ook de leerlingen die na de basisschool naar het speciaal onderwijs of naar praktijkonderwijs gaan hoeven de toets niet te maken.

Liefs!

maandag 1 april 2013

WISC-test, wat is dat?

Ik zou er bijna een nieuwe reeks van kunnen maken: de Wat-is-dat-eigenlijk?-serie waarin ik blogs schrijf over dingen waar ik wel eens van heb gehoord, maar waar ik de betekenis niet van ken. Want ook tijdens de afgelopen vergadering hoorde ik weer allerlei termen voorbij komen waarvan ik eigenlijk niet wist wat dat betekende.

Vandaag een blog over de WISC-test. Ja, ik had er wel eens van gehoord. Maar wat dat precies is? Al sla je me dood. Daarom heb ik het opgezocht.

WISC staat voor Wechsler Intelligence Scale for Children. Het is een intelligentietest voor kinderen tussen de 6 en 16 jaar oud. De test bestaat uit uiteenlopende tests. Deze zijn onderverdeeld in twee delen: de verbale tests en performale tests. Onder de verbale tests vallen onder andere woordkennis en rekenen. Onder performale tests vallen onder andere plaatjes ordenen en figuren leggen. In totaal zijn er dertien tests (respectievelijk 6 tests en 7 tests).

De WISC-test kan om verschillende redenen worden afgenomen. Enkele redenen kunnen zijn om (uiteraard) het IQ te meten, om de CITO te herkansen of om eventuele leerproblemen te registreren.

De uitslag van een WISC-test is een IQ-score. Hierbij is 100 de gemiddelde score. De standaardafwijking is hier 15.

Nu snap ik dus wat ze bedoelen als er wordt gezegd dat een leerling een WISC-uitslag van 108 heeft…

Liefs!

maandag 18 maart 2013

Clusters, wat zijn dat?

Vorige week schreef ik het volgende:

Zo af en toe, tijdens een vergadering bijvoorbeeld, vallen er begrippen die ik niet of nauwelijks eerder heb gehoord en waarvan ik de betekenis niet ken.

Mijn blog ging toen over de Rots en Water-training, maar er zijn natuurlijk nog veel meer begrippen waar ik wel eens van heb gehoord, maar waar ik eigenlijk de betekenis niet van weet. Zoals “clusters” bijvoorbeeld. Ik weet dat er vier clusters zijn, dat heb ik dan nog wel onthouden van mijn opleiding. Maar wat zíjn clusters?

Voor leerlingen met een handicap, wat voor handicap dan ook, is er het speciaal onderwijs. Dit onderwijs is ingedeeld in vier verschillende groepen, de “clusters” genoemd. Door de leerlingen in “een hokje te plaatsen” worden de leerlingen professioneler geholpen. De groepen zijn daar een stuk kleiner, waardoor de leerling meer aandacht krijgt, en de docenten zijn daar deskundigen op het gebied van de desbetreffende cluster(s).

Cluster 1 is voor de leerlingen met een visuele handicap, dus de leerlingen die blind of slechtziend zijn.
Cluster 2 is voor de leerlingen met een auditieve handicap, oftewel de leerlingen die doof of slechthorend zijn. Ook leerlingen met ernstige spraakmoeilijkheden vallen onder cluster 2.
Cluster 3 is voor de leerlingen met een verstandelijke en/of lichamelijke handicap. Ook vallen hier de leerlingen onder die langdurig ziek zijn.
Cluster 4 is een grote groep. Hieronder vallen de leerlingen die een ernstige gedragsstoornis hebben, de leerlingen met psychische problemen, de leerlingen die langdurig ziek zijn maar geen lichamelijke handicap hebben en voor de leerlingen die verbonden zijn aan pedologische instituten. Deze instituten doen onderzoek naar leerproblemen, gedragsproblemen en emotionele problemen. Onder cluster 4 vallen ook de leerlingen die verbonden zijn aan justitie en/of jeugdzorg. Zoals ik al zei: het is een erg grote groep.

Het is voor leerlingen die “in een cluster zitten” niet verplicht om naar het speciaal onderwijs te gaan. Vandaar ook dat ik wel eens hoor dat een leerling een cluster 3-leerling of cluster 4-leerling is. Deze leerlingen krijgen een “rugzakje”. Dit is een leerlinggebonden financiering. Dit geld kan gebruikt worden voor speciaal lesmateriaal, extra hulp bij het leren of andere extra begeleiding.

Ik moet eerlijk toegeven dat het hele verhaal over de clusters me wel bekend voorkwam. Tijdens het derde jaar van mijn studie heb ik hier één college over gehad. Ik vind het jammer dat we er niet dieper op ingegaan zijn, want het is dus (blijkbaar) niet goed genoeg bij me blijven hangen. En terwijl dit toch best een belangrijk onderwerp is, ook op reguliere (middelbare) scholen.

Liefs!

Bron

dinsdag 18 december 2012

Thuisonderwijs


Thuisonderwijs, wat vind ik daar nu van? Ik had er nooit eerder bewust over nagedacht tot ik het nieuws deze avond zag. Ik keek even verder op het internet en ik kwam er achter dat thuisonderwijs meer voorkomt dan ik dacht. Het is niet precies te meten, maar naar schatting zijn dit 200 tot 2000 leerlingen. Naar mijn mening zijn dat er nog steeds 200 tot 2000 te veel.

Ik ben er heel stellig in: thuisonderwijs vind ik helemaal niets. Ik kan me moeilijk verplaatsen in ouders die denken dat het beter is voor het kind om thuisonderwijs te krijgen. Misschien denk ik wel te zwart/wit en zijn er genoeg redenen om een kind liever thuis wat kennis bij te brengen dan dit op een school te laten doen. Pesten bijvoorbeeld. En ergens snap ik het ook best dat de moeder van Tom haar zoon thuis wil houden. Ze hebben een andere levensstijl dan “de doorsnee Nederlander” en het zou zomaar kunnen dat Tom daarom gepest zal gaan worden. Maar wat als iedereen zo zou denken? “Sorry, ik stuur mijn zoon niet meer naar school. Hij heeft rood haar en ik wil niet dat hij daarom gepest wordt.” of “Nee, mijn dochter kan echt niet meer naar school. Ze stottert en weet je… Het zou gewoon heel vervelend zijn als anderen haar daarom gaan pesten.”

Natuurlijk is dat niet de enige reden dat ze haar zoon niet meer naar school stuurt. Op school wordt ongezond eten geconsumeerd en dat zou een negatieve invloed kunnen hebben op het eetgedrag van Tom. Natuurlijk is het zo dat leerlingen (af en toe) ongezond eten. Een twix als lunch en een coca cola of een blikje energydrank om het weg te spoelen. Maar hé, zoiets is toch bijna niet te voorkomen? Het zijn tieners, je kunt ze niet verbieden om af en toe wat lekkers te eten of te drinken. Ik heb ook wel eens dagen dat ik leef op kruidnoten en marsepein, maar ik heb niet het idee dat ik daar veel slechter op ben geworden. Oké, ik draag dagelijks wat extra pondjes met me mee, maar met mij zijn er honderden (honderdduizenden…) Nederlanders die dat ook doen.

Waarom ik tegen thuisonderwijs ben? Je mist als een tiener een heleboeldingen die alle andere leeftijdsgenoten wel hebben. Ik noem maar wat: leren samenwerken, leren om dingen te delen, communicatievaardigheden, het aangaan van vriendschappen en natuurlijk de gezelligheid voor, tijdens en na de lessen. Ik had voor geen goud mijn middelbare school-periode willen missen en ik weet zeker dat er heel veel anderen zijn die deze tijd ook als de mooiste tijd van hun leven hebben ervaren. Daarbij is het natuurlijk nog maar de vraag of een vader of moeder genoeg kennis heeft wat betreft alle schoolvakken om de kennis op de juiste manier over te brengen op het kind.

Maar ach, wie ben ik?

Liefs!

donderdag 15 november 2012

Update: Hoe is het als beginnend docent?


Ik denk dat dit de ideale dag is om deze blog te schrijven. Ik heb vandaag een ontzettend fijne dag achter de rug en eigenlijk staat deze dag symbool voor de afgelopen elf weken op mijn nieuwe werk. Want na zo’n lange periode wordt het tijd voor een update. Hoe is het nu als beginnend docent en wat ervaar ik als de grootste verschillen met toen ik nog een stagiaire was?

Het grootste verschil tussen vroeger en nu is dat mijn onzekerheid enorm is gedaald. Vroeger – dat wil zeggen: nog geen half jaar geleden – werd ik om bijna elke opmerking onzeker, of het nu positief of minder positief bedoeld was. Als er maar tegen me werd gezegd dat ik iets moest veranderen, dan had ik een vreselijke dag. Shit, dacht ik dan, ik doe het weer niet goed. Nu krijg ik dat soort opmerkingen niet meer dan dat heeft een enorm positieve invloed op me.

Ik straal meer. Ik merk dat ik een stuk meer lach voor de klas dan vroeger. Waarschijnlijk komt dat doordat ik niet het idee heb dat ik altijd wordt gecontroleerd. Want zo zag ik de begeleiding vaak. Als een controle of ik het allemaal wel goed deed. Nu heb ik het idee dat ik “legaal” mag lachen voor de klas. Dat ik mijn werk met een lach en een grapje mag combineren. En dat ik nu legaal mag stralen voor de klas heeft ook een positieve uitwerking op de band met de klas. De leerlingen zeggen me nu niet alleen meer gedaan in het lokaal, maar ook buiten op het schoolplein of in de wandelgangen.

Ik heb geen huiswerkopdrachten meer te doen thuis, wat betekent dat ik veel meer vrije tijd over houd. Als ik ’s middags, ergens tussen twee en vijf, thuis kom, dan kan het relaxen beginnen. Ik heb geen huiswerk meer, geen verslagen meer die nog even af moeten en ik hoef niet meer te leren voor tentamens. En hoewel ik gek ben op het schrijven van verslagen en het leren voor tentamens (echt!), vind ik tv kijken, boeken lezen en andere dingen doen toch wel een stuk fijner!

Ik hoef me niet meer te verantwoorden tegenover mijn begeleiders. “Waarom pakte je dit op deze manier aan en niet op die andere manier?” of “je had hem beter op de gang kunnen zetten in plaats van dat je alleen een waarschuwing geeft” zijn twee dingen die ik nu niet meer te horen krijg. En zo zijn er nog vele opmerkingen die ik in het verleden wel vaak hoorde, maar die ik in de toekomst waarschijnlijk niet heel veel meer ga horen. Ik hoef niet meer uit te leggen waarom ik denk dat manier A beter werkt dan manier B of waarom ik de ene leerling wel strafwerk heb gegeven en de andere leerling niet. Het is mijn lokaal, dus er gelden nu mijn regels. Dat weet ik, dat weten de leerlingen en dat weten mijn collega’s ook.

Over collega’s gesproken, ook dat gaat een stuk beter. Ik voel me nog steeds wel “de nieuweling”, maar “de stagiaire” ben ik niet meer en zo voel ik me ook niet meer. Het contact met de collega’s gaat een stuk beter dan op mijn stages en ik denk dat het in de toekomst, als ik me wat meer op mijn gemak voel, nog beter zal worden.

Kortom, ik vind het heerlijk om nu eens echt aan het werk te zijn als beginnend docente. Natuurlijk, ’s morgens zou ik wel eens willen dat ik langer kon blijven liggen, op vrijdag kijk ik enorm uit na het weekend en na een paar weken mag de vakantie wat mij betreft wel beginnen, maar er zijn gelukkig meer dan genoeg momenten waarop ik denk dat ik de leukste baan van de wereld heb.

Liefs!

dinsdag 16 oktober 2012

Studiedag: toetsen en beoordelen

Vandaag had ik mijn eerste, en als ik mijn collega’s moet geloven, zeker niet de laatste, studiedag in mijn carriere. Twee keer per jaar organiseert de school een studiedag dat in het teken staan van wat er dan ook maar met lesgeven te maken kan hebben. De studiedag van vandaag stond in het teken van toetsen en beoordelen.

En wow, wat een overlading aan informatie heb ik over me gekregen vandaag! Ik wil niet zeggen dat ik alles even interessant vond, maar ik kan er wel weer even mee vooruit. Daarnaast heb ik ook weer genoeg ideeën opgedaan om over te schrijven voor mijn blog.De dag begon met een heel OBIT-verhaal. Ik had zelf nog nooit van de term gehoord, maar toen deze werd uitgelegd, was het allemaal wel vrij logisch. Onthouden, begrijpen, integreren en toepassen. We werden in groepjes gezet waarna we in de expert-vorm (waarover ik later nog eens uitgebreid over wil schrijven) aan elkaar moesten uitleggen wat elk begrip inhield.

In de eerste workshop gingen we verder aan de slag met dit OBIT-verhaal. Bij een willekeurige (wiskunde)proefwerk moesten we bij elk vraagstuk bepalen of het een O-opgave, B-opgave, I-opgave of T-opgave was. Dat lijkt vrij simpel, maar door de vrij onduidelijke grenzen tussen de verschillende begrippen ontstonden er toch wat discussies. Ook moesten we in de eerste workshop bepalen welke opgaven typische basisopgaven zijn en welke opgaven meer uitdaging bieden en dus behoren tot de extra opgaven. Op basis van deze kennis en op basis van de bijbehorende puntenverdeling kun je aan de leerlingen drie cijfers geven: een gemiddeld cijfer, zoals de leerlingen gewend zijn, maar ook een havo-cijfer en een vwo-cijfer. Vooral in de heterogene brugklassen kan dit een uitkomst zijn, bijvoorbeeld als je aan de ouders van de leerlingen moet beargumenteren waarom je hun zoon/dochter naar de havo stuurt in plaats van naar het vwo.

Na het ochtendprogramma en de lunch volgde het middagprogramma. Eerst werden er drie stellingen gegeven waar (door de anderen…) flink over werd gediscussieerd. Daarna gingen we ons onderverdelen in groepen en kregen we nog twee miniworkshops. In totaal waren er vijf: ik koos voor een workshop waarin leerlingen met docenten discussieerden over een aantal stellingen en een workshop over het aanbieden van weekplanners aan de leerlingen om zo hun zelfstandigheid te bevorderen. Vooral over die laatste workshop wil ik graag nog eens een blog wijden.

Liefs!

maandag 15 oktober 2012

Proefwerken nakijken

Voor het schrijven van deze blog ben ik eerst eens op internet gaan kijken. Gewoon, eens zien of er op internet tips staan om proefwerken na te kijken. Wat blijkt? Ik kom echt helemaal nergens op uit. Oké, ik heb één tip gevonden. Er is namelijk iemand die op internet schrijft dat ze bij het nakijken van proefwerken focust op de goede antwoorden in plaats van te kijken naar de fouten. Tja, hier denk ik toch echt anders over. Een proefwerk zie ik niet alleen als een manier om te checken hoe de leerlingen er voor staan, maar ook om ze te begeleiden naar een beter cijfer. Natuurlijk is het voor een leerling leuk om complimenten te krijgen, maar als ze een leerling die zwaar onvoldoende scoort blijft complimenteren, gaat de leerling toch onwijs onterecht naast zijn of haar schoenen lopen? Ik zeg ook vaak tegen de leerlingen dat je van je fouten kunt leren. Ontzettend cliché, maar ontzettend waar. Dat is ook de reden dat ik de leerlingen het huiswerk zelf laat nakijken, waarna ze de fout gemaakte opgaven nog eens moeten maken. Niet omdat ik ze wil pesten, maar omdat ik wil dat ze in zien wat ze fout doen en hoe ze een opgave wél goed moeten maken. Maar dat is mijn mening.

Ik dwaal af.

Omdat ik op internet niet veel kon vinden, heb ik één van mijn oude studieboeken uit de kast geplukt (“Het samenstellen, afnemen en nakijken van een proefwerk”, een boekje uitgebracht door het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS)). Hierin stonden wel iets meer tips. Deze volgen hieronder, met daarbij mijn mening.

Tip 1: Kijk het proefwerk per vraag na.
Ik heb dit geprobeerd, maar dit heeft bij mij ontzettend lang geduurd. Ik heb twee brugklassen en bij één van de twee brugklassen heb ik hun proefwerk nagekeken en daarbij deze methode gebruikt. Na een stuk of tien proefwerken wist ik de antwoorden uit mijn hoofd en dan duurde het omslaan van de pagina’s langer dan het nakijken zelf. Een fijne tip als de opgaven wat groter zijn, maar als de leerlingen alleen “a = cirkel, b = vijfhoek, c = vierkant” hoeven te noteren, is dit enorm vermoeiend!

Tip 2: Niet steeds dezelfde volgorde van leerlingen aanhouden.
Ja, dag. Ik snap niet waar dit goed voor zou zijn en ik ga niet om één of andere onbenullige reden tussen het nakijken door ineens alle proefwerken door elkaar gooien.

Tip 3: Namen afplakken.
Eh, NEE! Ten eerste kost dit ontzettend veel tijd, ten tweede heeft dit bij mij weinig zin. Ik snap overigens wel waarom deze tip aan het lijstje toegevoegd is. Ik kan me namelijk goed voorstellen dat er docenten zijn die de cijfers deels baseren op het karakter van de leerling? Doet de leerling goed mee in de les? Dan rekent de docent soepel. Doet de leerling niet goed mee en zit hij/zij alleen achterom te kletsen? Dan rekent de docent streng. Zo ben ik niet. Ik geef de leerlingen de punten die ze verdienen op grond van hun prestaties en niet gebaseerd op hun gedrag in de klas. Als ik twijfel hoeveel punten ik de leerling moet geven, dan blader ik graag nog even terug naar een leerling die een gelijksoortige fout had gemaakt. Zo eerlijk ben ik dan weer wel en dat voorkomt ook een hoop klachten tijdens het bespreken van de toets.

Tip 4: Eerst goed en fout aangeven en vervolgens in korte tijd de punten toekennen.
Ik denk dat dit enorm veel tijd kost en volgens mij ziet de APS dit ook erg zwart/wit. Bij wiskunde hoeft iets niet per se “goed” of “fout” te zijn, maar het kan ook zijn dat de berekening ergens halverwege verkeerd ging, waardoor het eindantwoord niet meer klopt. Voor dergelijke kleine foutjes ga ik een opgave niet meteen als fout bestempelen, maar kijk ik eerst welk deel van de opgave wel goed is. Dit kan overigens wel een handige tip zijn bij meerkeuzetoetsen. Je kunt dan bijvoorbeeld eerst in een snel tempo kijken welke antwoorden goed en fout zijn om vervolgens de punten in zijn totaliteit te tellen.

En dan nu mijn tips!

Tip 1: Heb je parallelklassen? Kijk eerst een stuk of tien proefwerken na per vraag, dus eerst bij tien leerlingen vraag 1, daarna vraag 2 etc. Als je alle antwoorden uit je hoofd weet, kun je in een snel tempo alle andere toetsen in één keer nakijken. Een antwoordblad is dan niet meer nodig en de puntenverdeling zit tegen die tijd ook wel op je netvlies getekend.

Tip 2: Ga je de toets bespreken? Dan hoef je niet alle correcte antwoorden erbij te zetten. Die antwoorden komen later wel. Wel kun je er opmerkingen bij zetten die speciaal voor die leerlingen zijn, bijvoorbeeld “Schrijf de hoekpunten ook in hoofdletters!” of “Tekenen met potlood!”.

Tip 3: Het afplakken van de namen is een heel gedoe, maar ben je toch bang dat je het aantal punten gaat baseren op de leerling zelf? Probeer dan niet te kijken naar de naam of leg er desnoods je arm overheen.

Tip 4: Kijk na met een vrolijk kleurtje. Een rode pen is wel erg standaard en hoewel ik er zelf ook vaak mee nakijk, vind ik het af en toe ook wel leuk om mijn roze pen uit de kast te pakken!

Tip 5: Probeer het nakijken zo veel mogelijk op je werk zelf te doen. Nakijken kan best vermoeiend zijn en af en toe kijk ik er heel erg tegenop. Als ik het direct na het werken doe, dan weet ik dat ik er de rest van de middag vanaf ben. Kijk ook zo snel mogelijk na: het is voor de leerlingen prettig als ze het cijfer al de dag erna hebben, maar ook voor jezelf. Daarbij is het ook fijn voor het bespreken. Als je het proefwerk direct de dag erna bespreekt, zitten de opgaven bij de leerlingen ook nog vers in hun geheugen.

Tot zover de tips voor het nakijken van proefwerken. Succes!

Liefs!

dinsdag 14 augustus 2012

Eerstegraadsopleiding: waarom niet?

Er is me al vaak gevraagd of ik, nu ik klaar ben met de tweedegraadsopleiding, wil beginnen aan de eerstegraadsopleiding. Als ik die vraag met een nee beantwoord, staan ze me vaak raar aan te kijken. De wiskundevakken op de opleiding verliepen buitengewoon goed en ik lijk er het type voor om op een hoger niveau wiskunde te geven. (Als mensen dat laatste tegen me zeggen, vraag ik me wel af of het een compliment is of niet…)  Toch heb ik al tijdens deze opleiding besloten om (nog) niet verder te studeren. Naast het feit dat ik geen geld heb voor een vervolgstudie (ik krijg dan wel een lerarenbeurs, maar het vervoer en de boeken moet ik dan nog steeds betalen) heb ik op dit moment veel meer zin om ervaring op te doen in het onderwijs. Ik heb drie jaar lang gestudeerd en tijdens stages was ik altijd maar “de stagiaire”. Ik ben nu wel heel benieuwd hoe het is om echt de docent te zijn.

Toch heeft het ook wel wat om nog verder te studeren. Ik ben altijd al leergierig geweest en ik zou nog heel veel studies willen volgen in mijn leven. Op dit moment zit ik midden in een zelfstudie “Webdesigner”, omdat het me leuk lijkt om zelf een website te bouwen in plaats van een standaard zoals deze te gebruiken. Daarbij zou ik ook graag nog meer willen doen met schrijven of met rekenen/wiskunde op zich.  Een andere reden dat ik nu nog niet verder ga met de eerstegraadsopleiding, is dat ik niet weet hoe het lesgeven mij gaat bevallen. Ik heb al veel stages gelopen, maar dat is heel anders dan lesgeven zelf. Mocht het lesgeven me heel goed bevallen en ik ga me vervelen in de onderbouw, dan houd ik de eerstegraadsopleiding zeker als optie. Maar voor nu is het een nee.

Liefs!

dinsdag 7 augustus 2012

Ervaringen: Stagebegeleiders

Na alle schooltypes, waar ik ervaring mee heb, te hebben besproken, ga ik het nu hebben over mijn ervaringen met stagebegeleiders. Ik heb vier “echte” stagebegeleiders gehad. Daarnaast zijn er nog een stuk of tien bij wie ik wel lessen heb gegeven, maar die niet mijn officiële begeleiders zijn geweest.

Over het algemeen ben ik best tevreden geweest met mijn stagebegeleiders. Ik heb tijdens mijn drie jaar stage-ervaring veel geleerd en alle begeleiders hielpen me met een ander onderdeel van het lesgeven. Er is één begeleider die niet binnen het rijtje past en mijn mening over de begeleiding ook zwaar naar beneden trekt. Helaas voor mij was het ook meteen mijn eerste begeleider. Na mijn allereerste les (denk aan: dertig gillende kinderen) heeft hij een boos mailtje naar mijn begeleidster van de hogeschool gestuurd. Ze kan het niet en ze zal het ook nooit kunnen. Dat was de rode draad van de e-mail. Ik kreeg van mijn begeleider nog één kans en mijn begeleidster van de hogeschool moest daarbij zijn van hem. Deze kans heb ik volgens de stagebegeleider verpest. Op advies van mijn docent van de opleiding ben ik daar dan ook weggegaan. Van zo iemand kun je niet leren.

Over mijn andere stagebegeleiders ben ik gelukkig wel tevreden. Zij hebben mij laten zien dat lesgeven veel meer is dan alleen kennis overbrengen. Mijn tweede begeleidster heeft mij geleerd op educatieve werkvormen te verzinnen en toe te passen, mijn derde begeleidster leerde mij om orde te houden en mijn laatste begeleider… Tja, wat leerde ik van hem? Vooral het krijgen van zelfvertrouwen voor de klas, want dat was ik na mijn eerste stage kwijtgeraakt.

dinsdag 31 juli 2012

Ervaringen: HAVO/VWO

Ik vraag me af of ik deze post wel moet schrijven, omdat hij natuurlijk heel erg samenhangt met mijn log waarin ik mijn ervaring op het VMBO deel. Ach, laat ik het toch maar doen voor de compleetheid.

Ik heb drie keer op een HAVO/VWO-school stage gelopen. Mijn eerste stage was op mijn eigen middelbare school. Ik heb er slechts drie keer lesgegeven, daarna had ik het al snel gezien. Ik kon totaal niet overweg met mijn stagebegeleider, daarover later meer, en mijn begeleidster van de hogeschool zei ook dat het beter voor me was als ik daar weg zou gaan. Mijn tweede stageschool was de school met internationale schakelklassen. Dit is absoluut niet te vergelijken met een reguliere HAVO/VWO-school, omdat de nadruk vooral ligt op het leren van correct Nederlands. Mijn derde HAVO/VWO-ervaring is op de school met daltononderwijs. Pas hier zag ik goed het verschil tussen een VMBO-school en een HAVO/VWO-school.

Mijn voorkeur ging altijd uit naar een hoger niveau om les aan te geven. Ik ben ook begonnen op de universiteit, omdat ik graag de bovenbouw van HAVO en VWO les wilde geven. Ik heb zelf een VWO-diploma gehaald en ik kon me totaal niet inleven in VMBO-leerlingen. Daarnaast vond ik het niveau van de stof op HAVO en VWO beter bij mij passen. Er zat meer uitdaging en diepgang in. Ook heb ik gemerkt dat de leerlingen veel nieuwsgieriger zijn, wat ik alleen maar leuk vind.

Als je mijn ervaringen op het VMBO leest, weet je dat mijn mening over deze leerlingen heel erg is veranderd. Ik denk dat ik de leerlingen op dit niveau juist leuker vind dan op het VWO. Ze zijn veel directer, ze staan vaker open voor andere werkvormen en je kunt veel meer met ze lachen. Ik twijfel dan ook heel erg wat ik leuker vind. De reden dat ik nu heb gekozen om op een HAVO/VWO-school te werken, heeft puur te maken met de veiligheid. Ik heb op het VMBO vaker problemen gehad met orde houden dan op de hogere niveaus en omdat ik vanaf nu (veel) minder begeleiding ga krijgen, leek het mij verstandiger om te kiezen voor een HAVO/VWO-school.

Nog even mijn voor- en nadelen op een rijtje.

Voordelen
Het is makkelijker op orde te houden
De stof is uitdagend en heeft diepgang
Ervaring op een hoger niveau is makkelijk als je door wilt stromen naar een eerstegraadsopleiding

Nadelen
De leerlingen zijn minder direct
De leerlingen staan minder open voor activerende werkvormen

Liefs!

#Klik hier om te lezen over mijn andere ervaringen

dinsdag 24 juli 2012

Ervaringen: VMBO

Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan. Aan het eind van mijn tweede studiejaar was ik te lui geweest om een stageplaats te zoeken, waardoor alle HAVO/VWO-scholen geen plek meer hadden voor mij. Er zat toen maar één ding op: op zoek gaan naar een stageplek op een VMBO-school. Ik had er totaal geen zin in aan het begin van het jaar. Wat als de leerlingen echt met wapens naar school komen? Zal ik echt geen orde kunnen houden? Wat als één van die leerlingen me bedreigt? Nee, VMBO leek niets voor mij.

Totdat ik in de eerste weken merkte dat die kinderen helemaal niet gewelddadig zijn. De leerlingen waren ontzettend leuk, heel direct en hadden heel veel humor. Orde houden was wel een aandachtspuntje, maar daar hadden alle studenten het moeilijk mee op dat moment. Ik merkte dat je in een VMBO-klas veel meer kunt qua werkvormen dan in een HAVO/VWO-klas. Ook het inrichten van de lessen is een stuk leuker. Omdat de doorsnee VMBO-leerling een hele korte concentratieboog heeft, is het belangrijk dat er heel veel afwisseling zit in de les. Een leerling kan vaak maximaal tien minuten hetzelfde doen, daarna is het belangrijk dat er een leswissel plaatsvindt. Aan het begin vond ik dat erg lastig. Ik wilde gewoon uitleg geven en de leerlingen vervolgens aan het werk zetten, maar dat bleek niet te gaan. Door veel te oefenen ging het me steeds beter af om elke tien minuten iets anders te verzinnen. Een activerende werkvorm, een wiskundig spelletje, een klassengesprek of gewoon een nieuw stukje stof uitleggen… Halverwege het jaar vond mijn stagebegeleidster dat het zo goed ging, dat ze me haar klassen toevertrouwde terwijl zij thuis met ziekteverlof zat. Ik snap natuurlijk wel dat het voor de school makkelijker (en goedkoper) is om de uren op te laten vullen door een stagiaire dan door een nieuwe docent, maar ik weet ook dat ze me absoluut niet zouden aannemen als ze geen vertrouwen in me hadden.

Of ik weer op een VMBO-school zou willen werken? Ja. Ik zou zeker nog eens aan VMBO-tl les willen geven, omdat ik dit type leerlingen erg leuk vind. Lager dan de theoretische leerweg zou ik niet willen gaan, omdat er dan nog maar heel weinig uitdaging in de stof zit.

Nog even mijn mening op een rijtje.

Voordelen
Leuke leerlingen, heel direct
Vaak kleine klassen, waardoor je goed overzicht hebt
Veel mogelijkheden wat betreft werkvormen
Door de openheid van de leerlingen krijg je sneller een band met ze

Nadelen
Het is lastiger om orde te houden
Er zit weinig diepgang in de wiskunde

Liefs!

dinsdag 17 juli 2012

Ervaringen: Kleine school

Vorige week had ik het over een grote school. Deze post zal in het teken van een kleine school gaan. Mijn mening daarover zal makkelijk te raden zijn na het lezen van mijn mening over een grote school, maar ik zal het allemaal nog een keer op een rijtje zetten.

Om te beginnen: een kleine school zie ik als een school met minder dan duizend leerlingen, of zelfs nog minder.
Ik heb twee ervaringen met een kleine school. De eerste kleine school was een school met internationale schakelklassen. Hier is al eerder een post over geweest (klik). Ik weet niet precies hoeveel leerlingen op deze school zaten, maar ik schat tussen de vierhonderd en vijfhonderd leerlingen.
Mijn tweede ervaring was op een school met VMBO-tl-leerlingen, waar volgende week een post over zal komen. Op deze school zaten ongeveer zeshonderd leerlingen.

Voordat ik begon met mijn stage op een kleine school had ik geen idee van het bestaan van dit soort kleine scholen. Ik dacht altijd dat middelbare scholen standaard rond de tweeduizend leerlingen hadden. Daarom noemden we het op de basisschool ook altijd “de grote school”. Toen ik mijn eerste stage had gelopen op een kleine school, had ik nog steeds geen benul van wat een kleine school was. Oké, ik had een half jaar doorgebracht tussen slechts vijfhonderd leerlingen, maar dat was toch omdat het speciaal onderwijs was? Niet dus. Er zijn dus blijkbaar ook kleine scholen waar ze wel regulier onderwijs geven. Wat een eyeopener.

Op de tweede kleine school kwam ik een oud-docent van mij tegen. Ik vroeg haar waarom ze was geswitcht van school en daarop antwoordde ze dat ze liever op een kleinere school les wilde geven. Vanaf dat moment ben ook ik de voordelen in gaan zien van een kleine school. Je kent alle leerlingen, er is vaak een goede band met de collega’s, je kent behalve de docenten ook al het andere personeel, je kent het hele gebouw van onder tot boven en van links naar rechts… Er zijn voor mij genoeg redenen om een kleine school boven een grote school te verkiezen. Omdat ik voor deze post de voor- én de nadelen van een kleine school wil noteren, heb ik diep zitten graven. Ik zie zelf geen nadelen van een kleine school, maar ik kan me voorstellen dat anderen deze wel zien. De twee grootste nadelen zijn dat er maar weinig klassen zijn en dat je er dus niet altijd zeker van bent dat je je favoriete klassen lesgeeft, en dat er weinig sectieleden zijn. Op een grote school is de kans veel groter dat je het met iemand van je sectie goed kunt vinden dan op een kleine school. Ik heb hier absoluut geen last van gehad, maar ik kan me voorstellen dat anderen dit als een nadeel kunnen zien.

Dan, zoals altijd, nog even mijn voor- en nadelen op een rijtje.

Voordelen
Je kent alle leerlingen.
Je kent al het personeel, zowel de docenten als het personeel van de administratie, de conciërges, het personeel van de kantine etc.
Je kent het hele gebouw.
De vaksecties zijn klein, waardoor er vaak een goede band onderling is.

Nadelen
Er zijn weinig klassen, dus de kans is klein dat je je favoriete klas mag gaan lesgeven.
Als je het niet met je sectiegenoten kunt vinden, heb je pech. Heel veel pech. De secties zijn namelijk erg klein.

Liefs!

dinsdag 10 juli 2012

Ervaringen: Grote school

Voordat ik begon aan het schrijven van deze log heb ik even opgezocht wat een grote school (en een kleine school) precies is. Ik heb nergens de grens hiertussen kunnen vinden en daarom heb ik deze grens zelf gesteld. Een grote school vind ik een school met meer dan duizend leerlingen. Een kleine school is een school met minder dan duizend leerlingen.

Ik heb zelf op een grote middelbare school gezeten. Mijn school telde ongeveer 2200 leerlingen, verdeeld over twee locaties. Dagelijks liep ik tussen zo’n 1500 andere leerlingen en na verloop van tijd weet je niet beter. Ik was niets anders gewend, dus ik heb er nooit problemen mee gehad.

Als docent kijk ik heel anders tegen een grote school aan. Mijn eerste stageschool was mijn oude middelbare school, dus tot zover vond ik het niet vervelend. Mijn mening over een grote school veranderde pas toen ik, twee jaar nadat ik op een kleine school stage had gelopen, terugkeerde naar een grote school. Ik heb mijn periode op de kleine scholen als heel positief en warm ervaren (daarover later meer) en een grote school voelde ineens heel kil en koud aan. Ik kende slechts een beperkt aantal docenten en van de leerlingen kende ik alleen mijn eigen klassen. Als ik de school binnen liep, voelde ik me heel klein worden. Sterker nog, ik voelde me net een leerling. Daar kwam ook nog eens bij dat ik halverwege het jaar binnen kwam en dat ik nooit een goede rondleiding heb gekregen. Ik wist de lokalen te vinden waar ik les moest geven, maar de aula? Geen flauw idee.

Natuurlijk heeft een grote school ook wel voordelen. Op een kleine school is er maar een kleine wiskundesectie, vaak van hooguit vier of vijf docenten. Op een grote school bestaat een wiskundesectie uit vijftien tot twintig wiskundedocenten, soms zelfs nog meer. Behalve het feit dat de kans kleiner is dat je vervelende taken op je bordje krijgt, is de kans ook heel groot dat je kunt opschieten met je collega’s. Er zit tenslotte altijd wel iemand tussen met wie je het kunt vinden. Dat is met die vier docenten op een kleine school wel anders. (Overigens kon ik het ook met die vier goed vinden, maar het had natuurlijk gekund van niet…)
Daarnaast zijn er natuurlijk veel klassen. Ik vind het zelf erg leuk om de brugklassen les te geven. Als er daar veel van zijn, is de kans groot dat jij (onder andere) de brugklassen toegewezen krijgt.

Nog even mijn voor- en nadelen op een rijtje wat betreft de “grote school”.

Voordelen
Je hebt veel collega’s, wat het wel zo gezellig maakt.
Er zijn veel klassen, dus de kans is groot dat je je favoriete klas mag gaan lesgeven.

Nadelen
De band met veel collega’s is niet diepgaand, omdat je vaak 100 collega’s hebt.
Je kent niet alle leerlingen, en zij kennen jou niet, wat er bij mij voor zorgde dat ik me een “niemand” voelde zodra ik het gebouw in liep.
Het gebouw is enorm en daar houd ik niet van.
Het is er vaak koud en kil en daar houd ik ook niet van.
Liefs!