Posts tonen met het label Boek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boek. Alle posts tonen

maandag 6 januari 2014

Mentor in het voortgezet onderwijs, hoofdstuk 7

Vooraf ga ik nog eens herhalen wat ik al eerder schreef. Vanaf januari zal de indeling van blogposts enigszins veranderen. Omdat ik het af en toe best lastig vind om me tot de maandag-artikelen te verzetten, zal er regelmatig een ‘Dag uit mijn docentenleven’-post online komen in plaats van een “maandag-artikel”. Vandaag nog wel een hoofdstuk uit dit boek!

Hoofdstuk 7: Leerlingen begeleiden bij de psychosociale ontwikkeling

Het zevende hoofdstuk was een interessante. In het hoofdstuk werden vijf praktijkvoorbeelden beschreven van jongeren met niet-alledaagse problemen. Ik vind dit soort stukjes altijd heel interessant, omdat je zo goede voorbeelden voorbij ziet komen over hoe je als mentor (of docent) kunt reageren op problemen bij jongeren. In dit hoofdstuk stonden voorbeelden waar ik zelf nooit mee in aanraking ben gekomen (gelukkig), dus dat maakt het nog interessanter.

Als ik in dit boek lees, met name over dit soort hoofdstukken waarbij je de handelingen van mentoren leest, hoop ik altijd maar dat het mentorschap gepaard gaat met heel veel ervaring. Als ik lees hoe anderen reageren op bepaalde situaties, merk ik hoe onervaren ik nog ben met dit soort dingen. Hopelijk komt dat ooit wel goed.

Ik ga niet alle situaties en handelingen opschrijven, alleen het voorbeeld van een meisje, Ineke, dat in 5 gymnasium zit. Op een dag meldt ze zich ziek en de hele week gaat ze niet naar school. De mentor trekt aan de bel en komt, op verzoek van moeder, bij het meisje thuis.
Ze zit enorm in de knoop met al het werk van school. Ze heeft het gevoel dat ze zich over de kop werkt en ook moet ze vaak het groepswerk doen, waarbij de anderen uit het groepje dus nauwelijks iets doen. Ze wil niet meer naar school, omdat ze het zo zwaar vindt, maar ze zou ook niet willen blijven zitten.

De mentor reageert hierop door direct te zeggen dat ze een burn-out heeft. Ik vind dit wat snel om te zeggen en ook zou ik zoiets niet zeggen voordat ik het eerst zou laten checken bij ‘professionals’. Maar oké, ze heeft dus een burn-out. Hierna wordt er gezocht naar een oplossing. De mentor komt op het volgende: ‘Hoe zou het voor je zijn om gewoon de komende maanden de dingen te doen waarin je zin hebt?’ Omdat Ineke het toch best eng vindt om meteen te stoppen met school, besluiten ze twee weken na dit gesprek nog eens een afspraak te maken om op dat moment pas een beslissing te nemen. Twee weken later besluit Ineke toch een paar schoolloze maanden in te lassen.

Ik probeer me meteen in de mentor te verplaatsen als ik zoiets lees. Wat als ik voor een huisbezoek naar een mentorleerling ga en ik hoor van de leerling dat hij of zij het niet meer ziet zitten? Ik geloof dat ik heel anders zou reageren. Ten eerste zou ik er eerst professionele hulp bij inschakelen, of in ieder geval iemand met meer ervaring. En ten tweede zou ik nooit direct met een oplossing komen zonder eerder met iemand anders te hebben overlegd, zoals de afdelingsleider van deze leerling.

Ook bij de andere situaties in dit boek zou ik niet in eerste instantie zo professioneel handelen. Nogmaals, ik hoop dat dit wel goedkomt naar mate ik wat meer ervaring heb in het mentorschap. De tijd zal het leren.

Liefs!

maandag 16 december 2013

Mentor in het voortgezet onderwijs, hoofdstuk 6

Hoofdstuk 6: Leerlingen begeleiden bij het leren

Eén van de lastige dingen voor leerlingen is het leren leren. Gelukkig gaat het bij een deel vrijwel vanzelf, maar anderen blijven er gedurende hun hele periode op de middelbare school mee worstelen. Het is een taak van de mentor om hier iets mee te doen.

Ik weet dat ze bij mij op school in de brugklas best wat tijd besteden aan het leren leren. Wekelijks is er een studieles ingepland waarbij de leerlingen zelfstandig werken aan hun huiswerk. De mentor bespreekt individueel of in groepjes met leerlingen hoe hun planning er voor de aankomende week uit ziet, hoe het is gegaan met hun vorige planning en/of geeft de leerlingen tips bij het realiseren van een planning. Wat vooral dat laatste is wel nodig.

Het maken van een planning is ook niet zo heel moeilijk. Het is het lastigst om je aan een planning te houden. Daar had ik op de middelbare school al last van en ik zie het ook al gebeuren bij mijn leerlingen. Want als je op maandagavond een uurtje wiskunde gepland hebt terwijl er ook een leuke film op de televisie is, is het natuurlijk heel verleidelijk om je planning in de war te schoppen.

In dit hoofdstuk geven de auteurs tips bij het maken van een goede planning. Naast de vakken waar je die middag of avond aandacht aan wilt besteden, moet er ook specifiek bijstaan wát je wilt doen. Wil je één bladzijden met woordjes leren? Wil je tien wiskundeopgaven maken? Wil je een samenvatting voor geschiedenis maken? Dit moet specifiek in de planning staan. Daarnaast moet je een schatting van de tijd bij elke activiteit neerzetten met eventueel ook een tijdstip waarop je dit punt uit wilt werken en hoe laat je ermee klaar wilt zijn.

Zeker in het begin is het heel lastig voor de leerlingen om een planning te maken. Er komt al gauw te weinig of juist te veel op het lijstje te staan. Daarom is het belangrijk dat een leerling ook zijn of haar planning aan de mentor laat zien. De mentor kan dan kijken of de planning haalbaar en realistisch is.

Het volgende hoofdstuk zal gaan over de begeleiding bij de psychosociale ontwikkeling. Ik hoop dat het niet net zo saai is als het klinkt…

Liefs!

maandag 25 november 2013

Mentor in het voortgezet onderwijs, hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5: Begeleidingsgesprekken

Vandaag een stukje over het vijfde hoofdstuk van het boek ‘Mentor in het voortgezet onderwijs’. Het hoofdstuk was bijna net zo dik als de vorige vier hoofdstukken bij elkaar, maar ik kwam er goed doorheen. Het was informatief en interessant tegelijk.

Het hoofdstuk ging over begeleidingsgesprekken. Een gesprek met een leerling bevat pedagogische en didactische doelen. Vaak gaan deze gesprekken over de ontwikkeling van de zelfstandigheid of zelfverantwoordelijkheid van de leerlingen. Bij het reflecteren van deze doelen is de reflectiespiraal van Korthagen erg handig. Deze bestaat uit vijf fases; de ervaring, terugblikken hierop, conclusies trekken, een nieuwe werkwijze bedenken en deze uitproberen.
Omdat niet iedereen uit zichzelf deze stappen doorloopt, is daar de rol van de mentor. Hierover wordt meer beschreven in het volgende hoofdstuk.

Van het doel van het gesprek gaan ze in het boek over naar de leerling. De leerling met wie de mentor het gesprek heeft wil uiteraard serieus genomen worden. In de tweede paragraaf geven ze hier wat tips voor. De belangrijkste tip is om vragen te stellen. Toon interesse in de leerling en vraag vooral ook door. Een andere tip is om empathie te tonen. Koppel vooral ook terug wat je bij een leerling ziet.

Ik jump meteen door naar de vijfde paragraaf van het hoofdstuk, waarbij ze het hebben over de organisatie van het gesprek. Bij een mentorgesprek hoort natuurlijk een goede voorbereiding. Lees alle informatie over een leerling nog even door, verzamel informatie wat je in het gesprek nodig zal hebben en vraag ook aan de leerling om zich voor te bereiden. De leerling wil misschien zelf iets inbrengen. Hiervoor bestaan ook vragenlijsten die een leerling in kan vullen voorafgaand aan het gesprek.
Een tweede stap is om duidelijk het doel van het gesprek te formuleren. Wil je het hebben over het gedrag? Over de cijfers? En wat voor soort gesprek wordt het?
Na het gesprek is het tijd voor de afronding. Bespreek met de leerling nog even kort wat de eventuele afspraken zijn. Maak hiervan ook – tijdens of na het gesprek – een verslag. Handig voor de leerling om terug te lezen, absoluut handig voor jezelf en misschien ook nog voor collega’s.

Ik noemde het net al kort. Er zijn verschillende soorten gesprekken. In dit hoofdstuk behandelen ze vijf soorten mentorgesprekken. Ze beginnen met het kennismakingsgesprek, wat uiteraard ergens aan het begin van het schooljaar plaats zal vinden. Vervolgens komt het probleemverhelderend gesprek, het adviesgesprek en het slechtnieuwsgesprek. Een laatste soort gesprek is het bemiddelend gesprek, een gesprek met meer dan één leerling.

Hoofdstuk 6 zal gaan over de rol van de mentor bij het begeleiden van leerlingen bij het leren. Over twee weken zal mijn verslag daarvan online komen.

Liefs!

maandag 11 november 2013

Mentor in het voortgezet onderwijs, hoofdstuk 4 (dl II)

Hoofdstuk 4 – Organisatie van het mentoraat op school

Twee weken terug schreef ik al over het eerste deel van hoofdstuk 4. Hoofdstuk 4 is geen lang hoofdstuk, maar toch heb ik het opgeknipt in twee delen. Dit komt doordat het hoofdstuk een enorm overload aan informatie bevat. Vandaag kijk ik naar het tweede – en laatste – deel van het vierde hoofdstuk uit het inmiddels bekende boekje.


Het begint meteen met een interessant stuk over scholing voor beginnend mentoren. Ergens eind vorig jaar kreeg ik een e-mail van één van mijn collega’s of er nog geïnteresseerden waren voor zo’n soort cursus. Absoluut! Ik heb direct een mail teruggestuurd dat ik daar wel aan mee wilde doen. De cursus is nog niet begonnen, maar ik ben er wel erg benieuwd naar. In ieder geval; het stukje gaat er dus over dat er op sommige scholen wel eens zo’n cursus gegeven wordt. Mocht dat er niet zijn, dan kan het altijd leerzaam zijn om je collega’s om tips te vragen, omdat zij al meer ervaring hebben met het vak.

Van de hak op de tak springt het over naar ouderavonden en mentorenoverleg. Ik weet dat er op mijn werk ook sprake is van dit bovenstaande, maar ik heb er nog nooit deel van uitgemaakt. Eigenlijk best jammer, want het lijkt me toch wel interessant. Ik ben vooral benieuwd naar de inhoud van het mentorenoverleg. Wie weet dat ik dit jaar eens gewoon een stoeltje aanschuif!

De andere paragrafen gaan over de invulling van het mentoruur. Voor veel mentoren is het namelijk onduidelijk wat er gedaan en besproken moet worden in zo’n lesuur. Over het algemeen is er geen boekje waar het programma in staat. Ik heb het vermoeden dat de inhoud van de lessen wordt besproken in het mentorenoverleg, maar zeker weten doe ik dat niet.

Het volgende hoofdstuk zal gaan over begeleidingsgesprekken, dat lijkt me interessant!

Liefs!

maandag 28 oktober 2013

Mentor in het voortgezet onderwijs, hoofdstuk 4 (dl I)

Hoofdstuk 4 – Organisatie van het mentoraat op school

Na drie hoofdstukken met wat achtergrondinformatie over de doelgroep begint met dit hoofdstuk eindelijk de interessante informatie. Het vierde hoofdstuk heeft alles te maken met de regelingen rondom het mentoraat. Het hoofdstuk is niet heel lang, maar is wel in veertien paragrafen opgedeeld. Daarom heb ik besloten hier twee blogs over te schrijven. Vandaag het eerste deel, over twee weken het tweede deel.

Eén van de eerste paragrafen heeft als titel ‘Wie wordt mentor?’. De alinea begint met de volgende zin.
‘Omdat elke docent over zowel (vak)didactische als pedagogische kwaliteiten hoort te beschikken, zou elke docent mentor moeten kunnen zijn.’
Ik heb er lang tegenop gezien om naast gewone lessen ook mentor te zijn. Het is niet dat ik het niet wil, maar ik ben bang dat ik er niet goed genoeg voor ben. Dat zal mijn onzekerheid wel zijn.
Toch heeft dit boek wel gelijk met deze zin. Als je docent bent, moet je toch enige vorm van affiniteit met de leerlingen hebben (in de goede zin natuurlijk!). Opvoeden hoort al bij het docentschap, dus in principe is het mentoraat maar een klein stapje verder.

De twee paragrafen daarna gaan erover wie je mentorleerlingen worden en hoeveel mentorleerlingen iedere mentor krijgt. Bij ons is het heel simpel: per klas is er slechts één mentor. Ik denk dat dit op de meeste scholen zo is. De onderbouwgroepen bestaan bij ons uit 25 tot 30 leerlingen, de bovenbouwgroepen 20 tot 25 leerlingen. Hierbij krijgen de mentoren een mentorklas aan wie ze ook de vaklessen geven. Zo zijn er meer contactmomenten per week dan alleen het mentoruur.
In de bovenbouw wordt dit wat lastiger. De klas valt vaak uiteen door de verschillende vakken die de leerlingen hebben, dus het is niet altijd zo dat de mentor van de klas aan de gehele klas ook vaklessen geeft. Vooral in mijn vak is dat lastig. Wiskunde wordt in de bovenbouw grofweg in tweeën gesplitst; wiskunde A en wiskunde B. Als een wiskundedocent dus mentor in de bovenbouw wordt, geeft hij slechts aan de helft van de klas ook vaklessen.

Er staat nog een andere interessante alinea in het eerste deel van het hoofdstuk, genaamd ‘Leerlingmentoraat’. Het is niet op alle scholen geregeld – op mijn huidige school helaas niet – maar ik vind het leerlingmentoraat een enorme toegevoegde waarde hebben. Vooral leerlingen uit de brugklas zullen hier veel baat bij hebben. Deze brugpiepers hebben zojuist een enorme stap gemaakt van groep 8 naar klas 1. Ik kan me heel goed voorstellen dat deze leerlingen vaak met obstakels zitten. De mentoren hebben het in deze eerste weken van het jaar al heel druk met de individuele gesprekken, de telefoontjes naar huis en alle activiteiten die er voor de brugklassers georganiseerd worden in deze eerste weken. Het zou een uitkomst zijn als de brugklassers met hun vragen dan terecht kunnen bij leerlingmentoren; leerlingen uit de bovenbouw die graag de mentoren van de onderbouw een handje willen helpen.

De volgende paragrafen gaan onder andere over scholing voor mentoren en ouderavonden. Voor het eerst dat ik dit boek bestudeer heb ik zin om verder te lezen!

Liefs!

maandag 14 oktober 2013

Mentor in het voortgezet onderwijs, hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3 – De school als pedagogische omgeving

Gisteren las ik het derde hoofdstuk uit het boek ‘Mentor in het voortgezet onderwijs’. Direct op de eerste bladzijde zag ik twee interessante citaten staan.

Het eerste wat ik zag was ‘Non scholae sed vitae discimus’. Ik heb geen Latijn op de middelbare school gehad, dus ik was maar wat blij dat de vertaling er onder stond. ‘Je leert niet voor de school, maar voor het leven.’
Ik weet niet wanneer ik begon te beseffen dat ik naar school ging voor mezelf, maar ik weet wel dat ik leren altijd al leuk heb gevonden. Op de basisschool speelde ik thuis al “schooltje” en op de middelbare school liep ik vaak al vooruit met mijn huiswerk. Uiteraard vooral met mijn wiskunde! Ik ging altijd wel met plezier naar school en ik had het altijd ook naar mijn zin in de lessen.

Ik besef nu wel dat dit niet bij iedereen zo is. Ik zal ongetwijfeld ook wel eens hebben geklaagd, maar ik merk dat mijn gemiddelde leerling een grotere hekel heeft aan school dan ik had. Natuurlijk zitten er ook wel typische Elseline’s in mijn klas, maar het grote deel maakt alleen maar het huiswerk omdat het moet. Laatst bij de studiedag hoorde ik zelfs dat er leerlingen vaak weleens tegen hun mentor zeggen dat ze alleen huiswerk maken voor het vak waarvan ze de docent leuk vinden. Dit zijn dan leerlingen uit klas 5. Het lijkt me dat de leerlingen tegen die tijd wel moeten snappen dat ze naar school gaan om kennis op te doen die ze later nodig zullen hebben.

Een tweede belangrijke ding, wat ook erg belangrijk is voor de mentor, is dat er staat ‘Niet iedere leerling heeft evenveel begeleiding nodig’. Er zijn altijd leerlingen in een klas die meer aandacht nodig hebben dan andere leerlingen. Toch vind ik het erg belangrijk om de “gewone” leerlingen niet over het hoofd te zien. Ik was altijd zo’n gewone leerling. Ik had geen problemen thuis – op twee gescheiden ouders na – en ik haalde goede cijfers. Voor de mentoren was dat altijd wel een reden om eerst de belangrijkere leerlingen te spreken. Toch vind ik dat jammer, want ik denk dat iedere leerling evenveel aandacht zou moeten krijgen. Ik had dan misschien geen begeleiding nodig wat betreft de schoolvakken, maar ik vind het achteraf gezien best jammer dat ik niet wat begeleiding heb gekregen op sociaal vlak.

Liefs!

maandag 30 september 2013

Mentor in het voortgezet onderwijs, hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2 – Leerlingen in beeld

Afgelopen week las ik het tweede hoofdstuk uit dit boek. Het waren slechts negen pagina’s en toch had ik er ruim een week voor nodig om deze bladzijden te lezen. Hoe dat komt? Ik ben niet zo van de moeilijke woorden. Dat merk je waarschijnlijk al aan mijn eigen geschreven stukjes. Bij een tekst met (veel) moeilijke woorden haak ik snel af. Ik hou van lezen, maar het enige wat ik lees zijn jeugdboeken en chicklits. Oeps. Als er in één zin al twee moeilijke woorden zitten, moet ik de zin minimaal drie keer lezen voordat ik het snap. Als ik niet ondertussen al ben afgehaakt.
Dit tweede hoofdstuk is onderverdeeld in vier paragraven. Zoals de titel van het hoofdstuk zegt wordt in iedere paragraaf de leerling ‘in beeld’ gebracht. Ik zal hieronder kort iets schrijven over/bij elke paragraaf.

2.1 Tussen 12 en 18
De eerste paragraaf brengt ‘de puber’ in beeld. Wat speelt er bij deze leerlingen? Wat gebeurt er met hun lichaam? Wat zijn alle fases waar een leerling doorheen gaat in dit deel van zijn of haar leven? In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op al deze vragen. Je leest ook over de verschillen tussen jongens en meisjes en – verrassend – over de depressieve gevoelens van de jongeren.

2.2 De groep leeftijdsgenoten
In deze redelijk korte paragraaf wordt beschreven hoe een jongere is in zijn of haar vriendenkring. Vooral ook hoe lastig het kan zijn om ergens bij te horen. Want interesse tonen is belangrijk, maar als je te veel interesse toont is het weer niet goed. Je moet je stijl een beetje aanpassen aan de anderen, maar je moet niet proberen om op het te gaan lijken. En zo nog wat dingen…

2.3 Kind in het gezin
Dit is een stukje dat ik altijd vergeet. Ik vergeet áltijd dat een leerling ook gewoon een kind is. Voor mij is een leerling een persoon dat bij mij in de klas zit. Een persoon dat rond de school hangt. Een persoon waar ik van alles aan moet leren. Niet dat het ook een kind is van (hopelijk) twee ouders, dat diegene broers en zussen heeft, dat er thuis nog van alles speelt. Dit zal ongetwijfeld veranderen als ik zelf ooit kinderen krijg.

2.4 Kind en school
Kijk, dit is dan wel weer een paragraaf waarin ik me kan vinden. Dit is het deel van de leerling wat ik zie. Echter is dit niet de enige paragraaf van dit hoofdstuk en ook zeker niet het enige aspect bij een leerling. Voordat ik een goede mentor kan worden, moet ik in gaan zien dat een leerling veel meer is dan ‘een iemand die in mijn lokaal zit’.

Het tweede hoofdstuk bestond vooral uit (belangrijke!) achtergrondinformatie wat ook zeker heel belangrijk is. Toch hoop ik dat de volgende hoofdstukken voor mij interessanter zullen zijn. Meer voorbeelden uit de praktijk, meer tips voor een (goede) mentor, meer houvast. We zullen het zien!

Liefs!

maandag 16 september 2013

Mentor in het voortgezet onderwijs, hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1 – Inleiding

Dit weekend las ik het eerste hoofdstuk van het boek dat ik kocht toen ik dacht mentor te gaan worden. Gelukkig was dat niet het geval, maar toch wil ik dit boek doorwerken. Zoals ik al zei: dit weekend ben ik met het eerste hoofdstuk begonnen. De komende maanden zal ik om de week een hoofdstuk lezen en een verslag over dit hoofdstuk online zetten.

Ik ben niet zo goed in samenvattingen maken. Vroeger deed ik het wel, maar bij dit boek vind ik het niet nodig. Ik krijg er tenslotte geen tentamen over. Bij dit boek wil ik dit ‘gewoon’ wat dingen vertellen. Welke interessante dingen ik heb gelezen, hoe ik over standpunten denk – als deze in het boek voorkomen –, welke tips ik absoluut ga onthouden als ik ooit mentor ben enzovoorts.

Bij het eerste hoofdstuk valt weinig te vertellen. Het hoofdstuk bestaat, zoals de titel al zegt, uit een inleidend stuk en eigenlijk staat daar precies in wat ik ook in deze blogpost al had geschreven. Er wordt kort verteld wat er in de komende hoofdstukken te lezen is. Ik ga dit niet nog een keer herhalen, want dan wordt het saai.

Nogmaals, de komende tijd zal ik om de week een verslag schrijven over het gelezen hoofdstuk. Het zal wat uitgebreider worden dan vandaag, dat beloof ik. En zeer waarschijnlijk ook een stuk interessanter.

Liefs!

woensdag 21 augustus 2013

282 tips: hoofdstuk 21 t/m 30

De laatste tien hoofdstukken zijn de hoofdstukken waar ik tot nu toe nog maar weinig aandacht aan heb besteed. Als ik op zoek ga naar een tip om die week te behandelen, zoek ik als eerst naar een tip aan het begin van het boekje dan aan het eind. Jammer eigenlijk, want er zitten een heleboel goede onderwerpen tussen. Over het functioneringsgesprek bijvoorbeeld. En over lichaamstaal. Deze hoofdstukken zal ik de komende weken wat meer aandacht geven dan ik voorheen gedaan heb.


21: Lichaamstaal
Waarom kan de ene docent een klas prima onder controle houden en de andere docent niet? Dat heeft voor een groot deel te maken met een goede lichaamstaal. Leerlingen moeten aan je houding zien dat jij de baas bent. En je moet zorgen dat je met je lichaamstaal hetzelfde zegt als met je woorden.

22: Moeilijke ouders
Je krijgt er hoe dan ook een keer mee te maken: ouders die vinden dat jij slecht met hun kind omgaat, of die geen slecht nieuws over hun kind kunnen verkroppen. Hoe ga je daarmee om? Wees duidelijk en práát met ze.

23: Overgewicht
Een op de zes kinderen is te zwaar. De gevolgen variëren van een hoge bloeddruk, vervetting van de lever en suikerziekte tot een negatief zelfbeeld én slechte schoolprestaties. Als leerkracht kun je je steentje bijdragen om dit te voorkomen. Aandacht voor leefstijl helpt. Zoek eens uit met je klas: hoeveel suikerklontjes zitten er eigenlijk in een glas cola?

24: Collega’s
Het is in het begin misschien wat overweldigend, al die collega’s die meer ervaring hebben dan jij. Maar laat je niet intimideren, maar liever gebruik van hun kennis en ervaring! Smeed een goede band met je collega’s, want door goede contacten met je collega’s is de kans dat je het redt als beginnende leraar, een stuk groter.

25: Politieke spelletjes
Gefluister in de wandelgangen. Ellebogenwerk. Humor ten koste van iemand anders. Collega’s met geheime agenda’s. De cultuur van de onderwijsinstelling waar je werkt, heeft invloed op je werk(plezier). Hoe ga je om met politieke spelletjes?

26: Functioneringsgesprek
Veel mensen hebben een hekel aan het functioneringsgesprek. Jammer, want met de juiste voorbereiding kun je juist met deze gesprekken je carrière een zet in de juiste richting geven. Hoe? Door zelf sturing te geven aan het gesprek.

27: Burn-out
Een op de tien werknemers krijgt een burn-out. Het is een gevolg van langdurige overbelasting op meerdere fronten. En het voelt als totale uitputting die niet overgaat na een paar nachten goed slapen. Sterker nog, misschien kun je helemaal niet meer slapen. Het is lastig om de symptomen bij jezelf te herkennen. Je hebt anderen nodig die je een spiegel voorhouden.

28: Onderwijsinspectie
Minstens eens per vier jaar bezoekt de Onderwijsinspectie alle scholen voor basis- en voorgezet onderwijs. Om een goed beeld te krijgen van de kwaliteit van de school woont de inspectie meestal ook lessen bij. Misschien wel jouw les. Hoe bereid je je hier als leerkracht op voor? Doe zoals je anders ook doet, want op een toneelstukje zit niemand te wachten.

29: De juiste baan
Je eerste baan is belangrijk. Toch gaan beginnende leraren nogal eens in zee met de eerste de beste school die ze een plek aanbiedt. Niet verstandig, want je kunt vreselijk afknappen op een baan die niet bij je past. Hoe vind je een baan waar je wel gelukkig van wordt?

30: Lerarenbeurs
Met de Lerarenbeurs kun je als leraar een aanvullende bachelor- of masteropleiding volgen. Niet alle schoolleiders staan daarbij te juichen, want ook al is op papier de vervanging geregeld, het blijft veel gedoe en geregel. Hoe pak je het als leerkracht aan?

# Lees hier tip 11 t/m 20

woensdag 14 augustus 2013

282 tips: hoofdstuk 11 t/m 20

Vorige week zette ik de eerste tien hoofdstukken uit het boekje van de Algemene onderwijsbond (“282 tips voor leerkrachten”) online. Omdat dertig hoofdstukken erg veel was voor in één blog, heb ik het opgedeeld in drie blogs. Vandaag dus de tweede blog.
11: Pesten
Een tas van een fiets afschoppen, schelden, spugen, anonieme mailtjes sturen en buitensluiten. Pesten kan altijd en overal gebeuren, ook op school. Slachtoffers gaan niet alleen elke dag met angst naar school, vaak houden zij hun leven lang last van de gevolgen. Als leraar kan – en moet – je optreden tegen pesten op school.

12: Verdriet
Een klasgenootje dat verongelukt, een ouder die zelfmoord pleegt of een asielzoekertje dat het land wordt uitgezet. Bij grote en kleinere calamiteiten kunnen de emoties in de klas hoog oplopen. Hoe ga je daar als leerkracht mee om? En wat doe je met je eigen emoties?

13: Internet
Van de Nederlandse kinderen in 98 procent actief op internet. Als leerkracht weet je nooit precies wat je leerlingen digitaal uitspoken. Worden er vreemde sites bekeken? Wordt er digitaal gepest? Hoe hou je een vinger aan de pols?

14: Seks
Seks in ruil voor een breezer en groepsverkrachtingen in kelderboxen – de media melden regelmatig seksuele ontsporingen bij jongeren. Het kan niet anders of ook seksuele opvoeding ligt op het bordje van scholen. Voer voor specialisten, zou je denken. Maar wat als de sfeer in de klas seksueel geladen is of leerlingen zelf met vragen komen?

15: Slechtnieuwsgesprek
Een kind dat blijft zitten, zich misdraagt in de klas of een verwijzing krijgt voor een andere school – het leidt meestal tot een lastig gesprek met de ouders. Beginnende leraren zijn vaak als de dood voor een slechtnieuwsgesprek. Hoe bereid je het voor en wat doe je als de ouders eenmaal tegenover je zitten?

16: ADHD
Ze doen voor de denken, hebben geen rem en zijn zowel innerlijk als uiterlijk steeds in beweging. Een ADHD-kind voelt zich constant onrustig van binnen en heeft moeite met plannen en organiseren. Drie tot vijf procent van de kinderen heeft last van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit, ofwel ADHD. Hoe ga je daar als leerkracht mee om?

17: Koninginnen en krengen
Met één blik kunnen meiden een ander vermorzelen. Wat zij doen, wordt vaak afgedaan als iets wat nu eenmaal bij meiden hoort. Maar het koninginnengedrag en de meidenintimidatie maken de klas tot een onveilige leeromgeving. Volwassenen hebben meestal geen idee wat er zich in alle subtiliteit afspeelt. Wat kun je eraan doen?

18: Faalangst
Eén op de vijf kinderen presteert onder de maat omdat hij bang is om te falen. Meestal zijn deze kinderen zo gefocust op de angst om te falen, dat ze helemaal blokkeren. Hun grootste angst wordt dan werkelijkheid; ze falen. Hoe haal je als docent het beste in zulke leerlingen naar boven?

19: Timemanagement
In het onderwijs is het werk nooit af. Daarbij heb je naast je dagelijkse werkportie soms piekbelastingen. Als je niet oppast, ben je alle dagen druk tot in de kleine uurtjes en brand je binnen de kortste kerel op. Hoe win je tijd in je agenda en ruimte in je hoofd?

20: De eerste maanden
Na jarenlang studeren komt het moment dat je echt aan het werk gaat. En dat valt zijn altijd mee. Je maakt in korte tijd kennis met tientallen collega’s, honderden leerlingen, de regels van de school en nog veel meer. Hoe kom je deze periode ongeschonden door?

Volgende week hoofdstuk 21 t/m 30!

Liefs!

woensdag 7 augustus 2013

282 tips: hoofdstuk 1 t/m 10

Vandaag zet ik een blog online waarin vooral – of eigenlijk bijna alleen maar – is overgetypt uit het boekje “282 tips voor leerkrachten”. Zo’n twee keer per maand zet ik een tip online afkomstig uit dit boekje dat ik ooit kreeg bij een abonnement, maar ik heb nooit specifiek verteld welke hoofdstukken het boek bevat. Een beetje laat, maar beter laat dan nooit.

Het boek van de algemene onderwijsbond bevat dertig hoofdstukken. Elk hoofdstuk begint met een kleine introductie. Ik zal hieronder van de eerste tien hoofdstukken de titel en de intro opschrijven. De volgende hoofdstukken volgen later!

01: Stage
Lesgeven leer je het beste voor de klas. En dus zijn stages een heel belangrijk onderdeel van je opleiding. Maar hoe zorg je ervoor dat je tijdens je stage ook leert wat je moet leren? Of wat je wilt leren? Hoe bereid je je voor? En hoe ga je bijvoorbeeld om met je stagementor of begeleider. Hoe haal je het beste uit je stage?

02: Je eerste klas
Daar sta je dan met je diploma op zak en vol goede moed; je staat voor het eerst zelfstandig voor de klas. Maar een afgeronde opleiding en een dosis enthousiasme zijn niet voldoende om succesvol je eerste jaar door te komen. Wat heb je nog meer nodig?

03: Autisme
Autistische kinderen ervaren de wereld om zich heen anders dan ‘normale’ kinderen. Prikkels worden in de hersenen op een andere manier verwerkt. Hoe kun je als leerkracht zo’n kind helpen?

04: Stemgebruik
Een leraar vergt net zoveel van zijn strottenhoofd als een profvoetballer van zijn knieën. Het verschil is dat een topsporter medisch goed wordt begeleid terwijl een leraar pas bij een arts terechtkomt als zijn stem het al heeft begeven. Als docent ben je een beroepsspreker, met je stem als belangrijkste instrument. Wees er zuinig op!

05: Invallen
Veel startende leerkrachten doen hun eerste werkervaring op met invalwerk. Dat heeft als voordeel dat je veel ervaring opdoet, maar nadelen zijn er ook. Iedere keer een andere klas, onbekendheid met lesmethoden en gedoe met rechtspositie. Hoe word je een succesvolle invalkracht?

06: Vakantiekriebels
Het schooljaar is bijna ten einde. Terwijl buiten de zon schijnt, slaat binnen de lamlendigheid toe. Hoe hou je leerlingen – en jezelf – tot het eind van het schooljaar bij de les?

07: Pubers
Pubers gedragen zich vaak impulsief en hebben maar weinig respect voor gezag. Tegelijkertijd zijn ze uiterst kwetsbaar en onzeker over hun veranderende lijf en de toekomst die voor hen ligt. Hoe ga je als leerkracht om met pubers? Zorg in ieder geval dat je inzicht hebt in het puberbrein.

08: Multicultureel
Een klas met meer allochtone dan autochtone leerlingen komt steeds vaker voor; zeker in grotere steden. Wat doe je dan? Is gewoon goed lesgeven voldoende? Het helpt, maar toch is het ook belangrijk om oog te hebben voor bijzonderheden en gevoeligheden van een multiculturele klas.

09: Chaos in de klas
Hoe houd je orde in de klas? Streng beginnen; consequent zijn; niet boos worden. Als startende leerkracht word je overspoeld met tips. Nog een paar? Ga stevig staan, met je voeten iets uit elkaar, schouders naar achteren, hoofd omhoog. Zo zie je er uit als de baas.

10: Agressie
Agressie op school – je weet dat het bestaat. Toch zul je je overvallen voelen als je er mee te maken krijgt. Het zijn heftige momenten. Je schrikt, misschien raak je zelfs in paniek. Begrijpelijk, maar schrik of paniek helpt niet. Wat wel?

Liefs!

maandag 17 juni 2013

Boek: Mentor in het voortgezet onderwijs

Onlangs kreeg ik het boek binnen waar ik al eerder over schreef: Mentor in het voortgezet onderwijs, geschreven door Margriet Groothuis en Hildelien Verkuyl. De reden waarom ik dit boek kocht is vanwege het feit dat ik toen net het gehoord dat ik zeer waarschijnlijk mentor zou worden. Uiteindelijk was dat niet het geval, maar toen had ik eenmaal mijn bestelling al geplaatst bij bol.com. Geen probleem, want ooit zal ik dit boek toch wel nodig hebben. En voorbereiden op het mentor zijn, daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen.

De komende weken (en maanden) ga ik dit boek doorlezen en doorwerken en over elk hoofdstuk of onderwerp dat me interessant lijkt, zal ik iets gaan schrijven. Ik weet nu nog niet of ik het boek van voor naar achter door ga werken of dat ik zomaar ergens begin, maar dat zal later nog blijken.

Wat ik vandaag wel even wil laten zien, is de inhoudsopgave. Het boek is opgedeeld in elf hoofdstukken en elk hoofdstuk is opgedeeld in vier tot veertien paragrafen (en sommigen daarvan weer in deelparagrafen). Ik zal het onderwerp van elk hoofdstuk benoemen en een korte toelichting van de paragrafen erbij geven. Binnenkort dus een uitgebreider verslag van elk hoofdstuk!

Het boek begint met een voorwoord (hoofdstuk 0).
 
Hoofdstuk 1: Inleiding
Hoofdstuk 2: Leerlingen in beeld
In dit hoofdstuk gaat het over pubers en de ontwikkelingsfase waarin ze zich bevinden.
Hoofdstuk 3: De school als pedagogische omgeving
Het hoofdstuk wordt geopend met een citaat: je leert niet voor de school, maar voor het leven. Dit hoofdstuk gaat er dus over dat de school niet alleen een leerklimaat is, maar ook waar de leerlingen worden opgevoed.
Hoofdstuk 4: Organisatie van het mentoraat op school
Dit spreekt voor zich. Het hoofdstuk gaat dus om de feitjes: wie wordt mentor, hoeveel uur krijg je (op jaarbasis) om mentor te zijn, hoeveel mentorleerlingen krijgt een mentor enzovoorts.
Hoofdstuk 5: Begeleidingsgesprekken
Een uitgebreid hoofdstuk met daarin allerlei soorten gesprekken beschreven.
Hoofdstuk 6: Leerlingen begeleiden bij het leren
Dit hoofdstuk gaat onder andere over plannen, één van de dingen die me wel leuk lijken aan het mentoraat. Dit wordt ongetwijfeld ook een heel leuk hoofdstuk voor mij!
Hoofdstuk 7: Leerlingen begeleiden bij de psychosociale ontwikkeling
Een hoofdstuk met daarin alle ‘problemen’ die er bij de leerlingen kunnen spelen, zoals faalangst en een vervelende thuissituatie.
Hoofdstuk 8: Leerlingen begeleiden bij keuzes op school
Een hoofdstuk over profielkeuzes, studiekeuzes en andere keuzes die een leerling moet maken tijdens zijn of haar schoolcarrière. Ik hoop dat ik start met het mentor zijn van een brugklas, dus dan heb ik met dit hoofdstuk niet heel veel te maken.
Hoofdstuk 9: De leef- en werksfeer begeleiden in de klas
Een hoofdstuk gericht op de klas in plaats van op één leerling. In dit hoofdstuk wordt en onder andere ingezoomd op omgaan met conflicten.
Hoofdstuk 10: Ouders
Ook dat hoort bij de taak van de mentor. Vele oudergesprekken. Dit hoofdstuk gaat over kennismakingsgesprekken, huisbezoeken, tienminutengesprekken en andere contactvormen met ouders.
Hoofdstuk 11: Als mentor sta je niet alleen
Er zijn namelijk nog vele anderen die een oogje in het zeil houden. Op mijn werk is dat de afdelingsleider (die doet dat vaak nog meer dan de mentor…), maar ook het zorg advies team (ZAT) kan hier een rol in spelen.

Het boek sluit af met enkele bijlagen over onder andere een mentorgesprek, een langetermijnplanning en diverse vragenlijsten.

Ik ben heel benieuwd naar de verdere inhoud van het boek en ik kan niet wachten om alles tot me te nemen. Misschien ga ik dit wel vaker doen: een boek kopen m.b.t. het onderwijs en deze van voren naar achteren bespreken. Ook handig voor de studenten onder ons. ;-)

Liefs!